Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 29 april 2024.
Rechtbank Limburg
De vrouw, eigenaar van de woning, vordert in kort geding de ontruiming van haar ex-partner, met wie zij een minderjarig kind heeft, uit de woning na beëindiging van hun relatie op 1 januari 2024.
De man woont nog in de woning en wenst pas te vertrekken zodra hij passende vervangende woonruimte heeft gevonden. De vrouw wil haar eigendomsrecht vrij kunnen uitoefenen en eist ontruiming uiterlijk 30 april 2024.
De voorzieningenrechter overweegt dat het eigendomsrecht van de vrouw zwaarder weegt dan het belang van de man om in de woning te blijven, maar acht een termijn van zes weken redelijk om de man gelegenheid te geven nieuwe woonruimte te vinden. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen met deze termijn en een dwangsom van €100 per dag bij niet-nakoming. De vordering tot uitschrijving uit de basisregistratie wordt afgewezen. Proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De man wordt veroordeeld de woning binnen zes weken te verlaten met oplegging van een dwangsom bij niet-nakoming.