Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas heeft verleend aan een vergunninghouder voor het bouwen van loodsen, plaatsen van tijdelijke woonunits en het tijdelijk huisvesten van 80 seizoensarbeiders. Het besluit wijkt af van het bestemmingsplan, waarvoor het college op grond van artikel 2.12 Wabo in combinatie met het Bor bevoegd was om vergunning te verlenen.
Verzoeker betoogde dat het college niet de juiste procedure had gevolgd en dat het besluit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening vanwege aantasting van het woon- en leefklimaat door geluidsoverlast en verkeersdrukte. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college bevoegd was om de vergunning te verlenen, omdat de beleidsregel huisvesting van de gemeenteraad niet bindend is voor het college en er geen vaste gedragslijn is die de 75%-norm afdwingt.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het college de ruimtelijke effecten voldoende heeft gemotiveerd en dat de gevreesde overlast onvoldoende concreet is onderbouwd. Ook de vermeende toename van verkeersbewegingen leidt niet tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. Daarom is geen grond voor schorsing van het besluit. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.