ECLI:NL:RBLIM:2024:1686

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 april 2024
Publicatiedatum
8 april 2024
Zaaknummer
C/03/327775 / HA ZA 24-90
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 RvArt. 8 lid 4 WGBZ
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing van zaak naar kamer voor kantonzaken wegens consumentenkoop

In deze civiele zaak tussen eiser en de besloten vennootschap CARSTORE TILBURG B.V. heeft de rechtbank Limburg op 3 april 2024 een vonnis gewezen. De procedure betrof de vraag of het geschil kwalificeert als een consumentenkoop en daarmee onder de bevoegdheid van de kamer voor kantonzaken valt.

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten en concludeerde dat niet is betwist dat sprake is van een consumentenkoop. Op grond van artikel 93 aanhef Pro en onder c Rv verwijst de rechtbank de zaak in de huidige staat naar de kamer voor kantonzaken van dezelfde rechtbank.

Daarnaast wijst de rechtbank partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer verplicht zijn zich door een advocaat te laten vertegenwoordigen, maar ook persoonlijk of door een gemachtigde kunnen verschijnen. Tevens wordt aangegeven dat het griffierecht zal worden verlaagd en dat teveel betaald griffierecht zal worden terugbetaald. Het vonnis is uitgesproken door rechter B.R.M. de Bruijn.

Uitkomst: De rechtbank verwijst de zaak naar de kamer voor kantonzaken en wijst op verlaging van het griffierecht en mogelijkheid tot persoonlijke vertegenwoordiging.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/327775 / HA ZA 24-90
Vonnis bij vervroeging van 3 april 2024
in de zaak van
[eiser],
wonend te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. R.L.H. Hambuckers,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CARSTORE TILBURG B.V.,
gevestigd te Tilburg,
gedaagde,
advocaat voorheen mr. J. Evers, thans mr. L. Isenborghs
Partijen zullen hierna [eiser] en CST genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de rolbeslissing van 6 maart 2024
  • de aktes uitlating zijdens beide partijen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Bij rolbeschikking van 6 maart 2024 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of sprake is van vorderingen betreffende een consumentenkoop en dus over de vraag of de kamer voor andere zaken dan kantonzaken bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.
2.2.
[eiser] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
CST kan zich verenigen met het voornemen om de zaak te verwijzen naar de kamer voor kantonzaken.
2.4.
Nu niet is betwist dat in onderhavige zaak sprake is van een consumentenkoop, zal de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 93 aanhef Pro en onder c Rv, de zaak in de staat en stand waarin deze zich bevindt verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Maastricht, op
woensdag 1 mei 2024 om 10.00 uurvoor conclusie van antwoord,
3.2.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
3.3.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken. [1]

Voetnoten

1.type: AH