ECLI:NL:RBLIM:2024:1625

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
4 april 2024
Zaaknummer
C/03/326339 / FT RK 24/19 en 326340 FT RK 24/20
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende inspanningen

Verzoekers hebben een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft het verzoek getoetst aan de criteria van artikel 288 Faillissementswet Pro, waarbij vereist is dat verzoekers te goeder trouw zijn geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de laatste drie jaar en dat zij zich zullen inspannen om hun verplichtingen na te komen.

Uit de stukken bleek een aanzienlijke schuldenlast van ruim €110.000 verdeeld over 74 schuldeisers, waarvan onduidelijk was of alle vorderingen en ontstaansdata correct waren. Verzoekers stonden sinds 2012 onder beschermingsbewind, maar desondanks waren er veel schulden ontstaan. Eerdere pogingen tot minnelijk traject waren mislukt zonder duidelijke verklaring.

De rechtbank oordeelde dat verzoekers onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij de schulden te goeder trouw onbetaald hadden gelaten. De vrouw werkte parttime en was sinds oktober 2023 ziek, terwijl de man pas sinds maart 2024 parttime werkte en onvoldoende had gesolliciteerd. De keuze om geen gebruik te maken van kinderopvang werd niet geaccepteerd als reden om niet fulltime te werken.

Gezien het ontbreken van voldoende inspanningen en het niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden, wees de rechtbank het verzoek af. Verzoekers kunnen in de toekomst een nieuw verzoek indienen wanneer zij aantonen dat zij de kritiek van de rechtbank hebben opgevolgd.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw en onvoldoende inspanningen van verzoekers.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
Toezicht / insolventies
rekestnummer: C/03/326339 / FT RK 24/19 en 326340 FT RK 24/20
uitspraakdatum: 26 maart 2024
in de zaak van
[verzoeker 1]en
[verzoeker 2] ,
wonende te [adres]
[woonplaats] ,
hierna: verzoekers

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Verzoekers hebben een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
1.2.
Verzoekers zijn gehoord ter zitting van 13 maart 2024. Hierbij waren tevens aanwezig [naam 1] , namens de Kredietbank Limburg, en [naam 2] , beschermingsbewindvoerder.
1.3.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

2.1.
De rechtbank dient het verzoek te toetsen aan de criteria genoemd in artikel 288 Faillissementswet Pro (Fw). Het komt er in dit geval op neer dat een verzoeker alleen kan worden toegelaten in de schuldsanering, als hij bewijst:
  • (lid 1, onder b:) dat hij “te goeder trouw” is geweest bij de schulden die in de laatste drie jaren zijn ontstaan of die in die periode onbetaald zijn gelaten, en
  • (lid 1, onder c:) dat hij de verplichtingen die bij de schuldsaneringsregeling horen, kan en zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk geld voor de boedel te verwerven (ten behoeve van de schuldeisers).
2.2.
Bij de beoordeling van het in artikel 288 lid 1 onder Pro b Fw bedoelde te goeder trouw zijn van de schuldenaar wordt een gedragsmaatstaf gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Het is daarbij aan de schuldenaar om bedoelde goede trouw aannemelijk te maken.
2.3.
Uit het verzoekschrift blijkt van een totale schuldenlast van € 67.628,85 verdeeld over 58 schuldeisers. Ter zitting werd door de Kredietbank Limburg een nieuwe schuldenlijst overgelegd. Hieruit blijkt van een schuldenlast van € 110.329,15 verdeeld over 74 schuldeisers.
2.4.
De rechtbank oordeelt als volgt. Allereerst betreurt de rechtbank het dat nog ter zitting een nieuwe crediteurenlijst is overgelegd, met een totaal van ruim € 110.000,00 aan schulden waar de eerdere crediteurenlijst uitkwam op zo’n € 67.000,00. De rechtbank vindt met het oog op het belang van een zorgvuldige voorbereiding dat deze lijst, mede gelet op het grote verschil met de eerdere lijst, eerder overgelegd had moeten worden.
Ter zitting is verder onduidelijk gebleven of überhaupt alle vorderingen op die nieuwe lijst wel worden erkend door verzoekers en voor zover dat wel kan worden aangenomen, of de opgegeven ontstaansdata wel kloppen.
De rechtbank is er maar vanuit gegaan dat de opgegeven schuldeisers kloppen, nu die lijst toch namens verzoekers wordt ingediend. Of de ontstaansdata ook allemaal kloppen - want wat betekent het voor de eerdere zorgvuldigheid van een dossier op dat punt als er op het laatste moment toch nog 16 schuldeisers uit de lucht komen vallen - is niet goed vast te stellen voor de rechtbank.
2.5.
Uit het verzoekschrift blijkt verder dat met ingang van 1 december 2012 ten aanzien van verzoekers een beschermingsbewind is uitgesproken. Uitgaande van de ter zitting overgelegde crediteurenlijst komt dan automatisch de vraag op: hoe is het mogelijk dat in die lange periode van beschermingsbewind zoveel schulden zijn ontstaan? Lag dat aan de bewindvoerder? Het laten ontstaan van schulden blijft natuurlijk op de eerste plaats de verantwoordelijkheid van verzoekers zelf. Maar onduidelijk blijft het.
Voorts is uit het verzoekschrift gebleken dat eerder, in 2017, al getracht is middels een minnelijk traject de schulden op te lossen. Onduidelijk is gebleven - de beschermingsbewindvoerder, de Kredietbank noch verzoekers hebben daar iets over kunnen verklaren - waarom het minnelijk traject destijds niet is gelukt. Had dat te maken met verwijtbare nalatigheid van verzoekers?
2.6.
Hoe het ook zij, áls er van moet worden uitgegaan dat de crediteurenlijst - mét de ontstaansdata - klopt, betekent het dat het in (nagenoeg) alle gevallen gaat om schulden die zijn ontstaan in de periode van langer dan drie jaar geleden.
En in zo’n geval, met veel oude schulden, is voor toelating essentieel dat verzoekers aannemelijk maken dat zij in de laatste drie jaar de schulden te goeder trouw (= het valt hen niet te verwijten, er was gewoon geen ruimte voor, er was geen mogelijkheid om meer te werken, etc.) onbetaald hebben gelaten.
De wet verlangt nu eenmaal van verzoekers dat zij ook al in de fase vóórdat zij vragen om toelating tot de schuldsaneringsregeling, hun uiterste best doen om hun schulden af te betalen.
2.7.
De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de al bestaande schulden te goeder trouw onbetaald zijn gelaten.
De vrouw heeft in de betreffende periode maximaal 20 uur per week gewerkt, waar van haar mocht worden verlangd dat ze zou proberen om fulltime te werken.
Voorts is ter zitting gebleken dat de vrouw momenteel in het geheel niet meer werkt. Zij werkte voorheen parttime voor 20 uur in een contract tot augustus 2024. Vanwege een conflict met haar leidinggevende is de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd. Of ze recht heeft op een WW-uitkering en of ze die al heeft aangevraagd, is niet duidelijk. De vrouw heeft voorts verklaard wel te solliciteren, echter ook sinds oktober 2023 ziek te zijn.
Een fulltimebaan ziet ze sowieso niet zitten vanwege haar twee kleine kinderen die haar zorg nodig hebben en omdat kinderopvang zo duur zou zijn dat fulltime werken in plaats van parttime, nauwelijks extra inkomsten onder de streep zou opleveren.
De man heeft sinds 1 maart 2024 een parttimebaan voor 24 uur bij een cateringbedrijf. Deze uren zouden in de toekomst uitgebreid kunnen worden. Desgevraagd heeft hij verklaard dat hij wel veel heeft gesolliciteerd, het afgelopen jaar buiten zijn vakgebied, maar dat dit niet heeft geleid tot een baan. Om die reden is hij weer teruggekeerd naar de horecabranche.
In aanvulling op de verklaring van de vrouw heeft de man verklaard dat het vanwege de hoge kosten van kinderopvang een bewuste keuze was de kinderen niet naar de opvang te laten gaan.
De rechtbank is het met die keuze echter niet eens. Vanzelfsprekend is de opvang van (de jongste twee) kinderen belangrijk en kostbaar maar met kinderopvangtoeslag zouden de kosten van opvang goed te dragen zijn geweest.
De man heeft bovendien vanaf 1 maart 2023 tot 1 maart 2024 niet gewerkt, zodat de vrouw in elk geval in die periode fulltime had kunnen werken of naar fulltimewerk had kunnen solliciteren, want de man had dan immers gewoon de (jongste twee) kinderen kunnen opvangen. Verder heeft de man niet aangetoond dat hij in de periode na 1 maart 2023 zijn uiterste best heeft gedaan om weer aan fulltimewerk te komen.
2.8.
De rechtbank is van oordeel dat verzoekers gelet op wat hiervoor werd geschreven NIET hebben aangetoond:
- dat zij de bestaande schulden te goeder trouw onbetaald hebben gelaten;
- dat zij de verplichtingen die bij de schuldsaneringsregeling behoren, zullen nakomen (namelijk: actief en serieus naar fulltime werk solliciteren als men werkloos is; zich maximaal inspannen om zoveel mogelijk geld voor de boedel te verwerven ten behoeve van de schuldeisers).
Daarom moeten de toelatingsverzoeken op dit moment worden afgewezen, omdat niet aan de wettelijke voorwaarden voor toelating wordt voldaan.
2.9.
De rechtbank realiseert zich dat de beslissing hard is, maar de rechtbank moet op grond van de wet nu eenmaal niet alleen naar de belangen van verzoekers zelf kijken maar ook naar de belangen van de schuldeisers.
Wie wil worden toegelaten tot de schuldsanering zodat er na achttien maanden - of de schuldeisers dat nu goed vinden, of niet - een streep gaat door ruim € 110.000 aan door “dommigheid” ontstane schulden (zoals de verzoekers het zelf noemden op de zitting) - die moet wel eerst laten zien dat hij/zij echt zijn/haar best heeft gedaan om via serieus en actief solliciteren zoveel mogelijk uren werk te krijgen en dat werk voor zover het van hem/haar afhangt, te behouden, en van de verdiende inkomsten af te betalen op de schulden, als dat mogelijk is. Zo laat men zien dat men ook de belangen van de schuldeisers voor ogen heeft, en niet alleen het eigen belang.
De schuldsaneringsregeling is nu eenmaal geen hulpverleningstraject waarbij het alleen draait om het belang van verzoekers, maar vooral een hard, zakelijk saneringstraject, waarbij ook de belangen van schuldeisers volop meewegen.
2.10.
Als verzoekers over een tijdje kunnen laten zien dat zij iets met de kritiek van de rechtbank hebben gedaan, kunnen zij met een nieuw toelatingsverzoek terugkomen. De rechtbank gunt het verzoekers wel, maar het moet geen kwestie zijn van iemand een schuldsaneringsregeling gunnen maar van iemand toelaten omdat hij/zij het verdient. Omdat hij/zij récht heeft op toelating. Nu al toelaten zou onterecht zijn.

3.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2024 in tegenwoordigheid van de M.P.J. Huijs, griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.