Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[eiser sub 1] ,
2.
[eiseres sub 2],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 16,
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de brief van de griffier aan mr. Stassen van 17 oktober 2023,
2.De feiten
[vader respectievelijk moeder, toevoeging rechtbank]aan partij 1 [
[naam BV 1] , toevoeging rechtbank]is overgedragen een onderneming, zijnde een aandeel in [naam VOF] ;
[bij vader, toevoeging rechtbank]/ €52.985
[bij moeder, toevoeging rechtbank](...) plus de dotatie aan de fiscale oudedagsreserve 2003 teneinde deze lijfrente aan te wenden voor de gehele afneming van zijn fiscale oudedagsreserve alsmede als tegenprestatie voor de met en/of bij de staking van de IB-onderneming tot uitdrukking gekomen stille reserves en goodwill;
[bij vader, toevoeging rechtbank]/ €52.985
[bij moeder, toevoeging rechtbank]plus de dotatie aan de fiscale oudedagsreserve 2003, wordt bestemd om aan partij 2 een lijfrente te verstrekken als bedoeld in artikel 2.
[bij vader, toevoeging rechtbank]/ 1 augustus 2008
[bij moeder, toevoeging rechtbank](...) en eindigen bij het overlijden van partij 2.
3.Het geschil
4.De beoordeling
[naam BV 1]een koopsom verschuldigd was (randnummer 3 van de spreekaantekeningen van mr. Stassen), maar die stelling is, zeker zonder verdere toelichting, niet te volgen. Uit hetgeen staat achter het vierde gedachtestreepje van de considerans en artikel 1 van Pro de overeenkomst blijkt onmiskenbaar dat is overeengekomen dat de ouders een koopsom zouden voldoen waartegenover [naam BV 1] een lijfrente zou verstrekken.