ECLI:NL:RBLIM:2024:1615
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toelating schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw en onvoldoende stabiliteit
Verzoekster diende een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Tijdens de zitting op 6 februari 2024 werd zij gehoord en kreeg zij de gelegenheid aanvullende stukken te overleggen, waaronder bankafschriften en een stabiliteitsverklaring.
De rechtbank toetste het verzoek aan artikel 288 Faillissementswet Pro en concludeerde dat verzoekster niet aannemelijk had gemaakt dat zij in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek te goeder trouw was. Met name het niet melden van inkomsten aan de gemeente leidde tot verwijtbaarheid. Daarnaast werd het beroep op de hardheidsclausule afgewezen omdat verzoekster onvoldoende had aangetoond dat zij haar gedrag wezenlijk had veranderd en een stabiele situatie had gecreëerd.
Verder ontbrak een verklaring van een deskundige hulpverlener die bevestigt dat de psychische problematiek van verzoekster beheersbaar is. De verklaring van de beschermingsbewindvoerder voldeed niet aan deze eis. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat verzoekster de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.
De rechtbank benadrukte het belang van strenge toetsing in het belang van schuldeisers en concludeerde dat verzoekster niet geschikt is om met een redelijke kans op succes aan het schuldsaneringstraject te beginnen. Het verzoek werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw en onvoldoende stabiliteit.