ECLI:NL:RBLIM:2024:1615

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
4 april 2024
Zaaknummer
C/03/325073 / FT RK 23/500
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing toelating schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw en onvoldoende stabiliteit

Verzoekster diende een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Tijdens de zitting op 6 februari 2024 werd zij gehoord en kreeg zij de gelegenheid aanvullende stukken te overleggen, waaronder bankafschriften en een stabiliteitsverklaring.

De rechtbank toetste het verzoek aan artikel 288 Faillissementswet Pro en concludeerde dat verzoekster niet aannemelijk had gemaakt dat zij in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek te goeder trouw was. Met name het niet melden van inkomsten aan de gemeente leidde tot verwijtbaarheid. Daarnaast werd het beroep op de hardheidsclausule afgewezen omdat verzoekster onvoldoende had aangetoond dat zij haar gedrag wezenlijk had veranderd en een stabiele situatie had gecreëerd.

Verder ontbrak een verklaring van een deskundige hulpverlener die bevestigt dat de psychische problematiek van verzoekster beheersbaar is. De verklaring van de beschermingsbewindvoerder voldeed niet aan deze eis. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat verzoekster de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.

De rechtbank benadrukte het belang van strenge toetsing in het belang van schuldeisers en concludeerde dat verzoekster niet geschikt is om met een redelijke kans op succes aan het schuldsaneringstraject te beginnen. Het verzoek werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw en onvoldoende stabiliteit.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
Toezicht / insolventies
rekestnummer: C/03/325073 / FT RK 23/500
uitspraakdatum: 26 maart 2024
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [adres] ,
[woonplaats] ,
hierna: verzoekster.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Verzoekster heeft een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
1.2.
Verzoekster is gehoord ter zitting van 6 februari 2024. Tevens waren hierbij aanwezig [naam 1] (SB schuldsanering) en [naam 2] (beschermingsbewindvoerder). De zaak is aangehouden om verzoekster nogmaals in de gelegenheid te stellen de bankafschriften en een stabiliteitsverklaring te overleggen.
1.3.
De aanvullende stukken zijn 4 maart 2024 ontvangen, waarna de uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

2.1.
De rechtbank dient het verzoek te toetsen aan de criteria genoemd in artikel 288 Faillissementswet Pro (‘Fw’).
2.2.
Bij de beoordeling van het in artikel 288 lid 1 onder Pro b Fw bedoelde te goeder trouw zijn van de schuldenaar wordt een gedragsmaatstaf gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Het is daarbij aan de schuldenaar om bedoelde goede trouw aannemelijk te maken.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend steeds “te goeder trouw” is geweest, zoals de wet dat bedoelt. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
2.4.
De totale schuldenlast bedroeg volgens de crediteurenlijst bij het verzoekschrift € 30.321,13 verdeeld over 15 schuldeisers. De schulden van de Gemeente Venlo betreffen vorderingen met een bedrag van € 9.742,56 en € 4.406,25. De vordering van € 4.406,25 is ontstaan door het niet nakomen van de informatieplicht en dus per definitie verwijtbaar (lees: niet te goeder trouw), en dat in de drie jaar voorafgaand aan indiening van het verzoekschrift. Verzoekster heeft immers in de periode 24 juli 2021 t/m 31 juli 2022 inkomsten ontvangen, zonder de gemeente daarvan op de hoogte te stellen. Deze inkomsten bestonden uit bijschrijvingen op de leefgeldrekening en waren afkomstig van derden uit de privékring en bedragen van derden uit onbekende kring. Dit terwijl het de verantwoordelijkheid van verzoekster is om er voor zorg te dragen dat de uitkeringsinstantie juist en volledig is geïnformeerd.
2.5.
Verzoekster heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule. De rechtbank overweegt vooraf als volgt. Uitgangspunt is dat de hardheidsclausule in beginsel niet zal worden toegepast. Iemand die een beroep doet op de hardheidsclausule zal moeten aantonen dat het hem in minder dan drie jaar gelukt is om zijn gedrag wezenlijk te veranderen en om voor zichzelf een stabiele situatie te creëren die heel anders is dan de situatie waarin hij zich bevond op het moment dat hij niet te goeder trouw handelde bij het aangaan of onbetaald laten van schulden. Een dergelijke verandering is moeilijk te realiseren binnen zo een korte periode. Daarom zal de hardheidsclausule ook alleen in duidelijke uitzonderingsgevallen worden toegepast. Dit blijkt uit de wetsgeschiedenis.
2.6.
Verzoekster heeft – omdat zij zelf niet in staat is haar financiën te regelen en overzicht te houden – beschermingsbewind geregeld en zij voert aan dat zij haar lesje heeft geleerd. De rechtbank is van oordeel dat verzoekster hiermee niet voldoende heeft aangetoond dat het haar in minder dan drie jaar is gelukt haar gedrag wezenlijk te veranderen en een stabiele situatie te creëren die heel anders is dan de situatie waarin zij zich bevond op het moment dat zij niet te goeder trouw handelde bij het aangaan of onbetaald laten van de schulden. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt dus niet.
2.7.
Naast voorgaande dient de rechtbank volgens artikel 288 lid Pro 1, aanhef en sub c Fw te beoordelen, of een schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen. Tijdens de zitting heeft verzoekster meegedeeld dat ze onder behandeling is bij een psycholoog en bij de huisarts.
Volgens het gestelde onder 5.4 in het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbank, worden landelijke uniforme beoordelingscriteria gehanteerd zoals in bijlage IV van het procesreglement zijn opgenomen.
Verzoekster dient een verklaring over te leggen waaruit blijkt dat de problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoekster zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. De beheersbaarheid van de problemen dient te worden bevestigd door een hulpverlener of hulpverlenende instantie.
2.8.
Uit de nagekomen stukken blijkt dat de psychiater geen medische informatie verstrekt, anders dan wat tot zijn taken behoort, en dat de huisarts zich beroept op het medisch beroepsgeheim. Door de beschermingsbewindvoerder is een verklaring overgelegd waarin staat dat verzoekster de afspraken nakomt en dat verwacht wordt dat ze dit ook zal doen tijdens de schuldsaneringsregeling. Deze verklaring is geen verklaring van een hulpverlener die deskundig is op het gebied van psychische klachten, zodat daaruit niet kan worden opgemaakt of de psychische problematiek van verzoekster beheersbaar is.
2.9.
Vanwege het ontbreken van een verklaring van de psycholoog of hulpverlenende instantie inhoudende dat de psychische problematiek momenteel beheersbaar is, is door verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat de situatie voldoende bestendig is om de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen. Gelet op de zware verplichtingen die de schuldsaneringsregeling met zich meebrengt dient verzoekster aan de stabilisatie van haar situatie te werken.
2.10.
De rechtbank realiseert zich dat het voor verzoekster een harde beslissing is om in elk geval op dit moment (nog) niet te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Maar de regeling is een bijzondere regeling waarvoor noodzakelijk is - ook in het belang van de schuldeisers - dat streng wordt gekeken naar de laatste drie jaren, naar de schulden die in die periode zijn ontstaan en naar de manier waarop verzoekster is omgegaan met die schulden, en naar of verzoekster er klaar voor is om met een redelijke kans op succes aan dat zware schuldsaneringstraject te beginnen.
Bij beide punten zijn er te veel vraagtekens. Verzoekster moest volgens de wet bewijzen dat zij (nu al) geschikt is om toegelaten te worden. En dat bewijs is dus niet (genoeg) geleverd.

3.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2024 in tegenwoordigheid van M. Vanderbroeck, griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.