Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
03/024640-21, 03/204654-21, 03/159334-23, 03/169186-23,
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
Gezien het bovenstaande, werd [verdachte] aangehouden. [2]
[bedrijf]aangifte van vernieling gepleegd op 3 december 2020 aan de [adres 2] te Venlo en heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: [20]
medische informatievan
Forensische Geneeskunde GGD Limburg-Noordover het
letselonderzoekvan
[naam 4]op
3 augustus 2021vermeldt onder meer dat de huid van de linker oorschelp geschaafd was. [29]
[winkelketen 2]aangifte van winkeldiefstal van een zak chips en een blikje drinken gepleegd op 10 juli 2023 te Venlo. [35]
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
€ 316,93 aan materiële schade en € 3.085,00 aan immateriële schade. Ter terechtzitting is de vordering gewijzigd, in die zin dat de kosten van de gestolen fiets van € 50,00 op de gevorderde materiële schade in mindering zijn gebracht. De vordering komt thans op een bedrag van € 3.351,93. De benadeelde partij heeft tevens verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag.
[naam 1] als gevolg van het onder parketnummer 03/170687-23 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreekse schade is toegebracht. De benadeelde partij is dan ook ontvankelijk in haar vordering.
[naam 2] als gevolg van het onder feit 1 van parketnummer 03/292161-19 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreekse schade is toegebracht. De benadeelde partij is dan ook ontvankelijk in haar vordering. De vordering is door de verdediging niet betwist en komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat de vordering zal worden toegewezen. De rechtbank zal de hiervoor genoemde schade aldus vaststellen op een bedrag van € 544,00 en de verdachte veroordelen tot betaling van dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 8 december 2019 tot de dag der algehele voldoening. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr opleggen, zodat de Staat – indien nodig – de vordering ten behoeve van het slachtoffer kan innen.
8.De vordering tot tenuitvoerlegging
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar ten aanzien van de parketnummers 03/292161-19, 03/040422-20, 03/159334-23, 03/169186-23 en 03/204654-21;
- verklaart de verdachte
- veroordeelt de verdachte tot
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
gedragsbeïnvloedende maatregel ex artikel 38zvan het Wetboek van strafrecht;
heft ophet bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;
Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
- wijst toede vordering van de benadeelde partij
[naam 1]ten aanzien van parketnummer 03/170687-23 en veroordeelt de verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van
€ 3.351,93, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over dat bedrag te rekenen vanaf 10 juli 2023 tot de dag der algehele voldoening; - veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, en begroot deze aan de zijde van [naam 1] tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan [naam 1] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [naam 1] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
- wijst toede vordering van de benadeelde partij
[naam 2]ten aanzien van parketnummer 03/292161-19 en veroordeelt de verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van
€ 544,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over dat bedrag te rekenen vanaf 8 december 2019 tot de dag der algehele voldoening; - veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, en begroot deze aan de zijde van [naam 2] tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan [naam 2] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [naam 2] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
- verklaart de benadeelde partij (PI-medewerker onder nummer
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de procedure en begroot deze kosten aan de zijde van de verdachte tot op heden op nihil.
wijst afde vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03/079215-18 van de officier van justitie van 26 januari 2024.