Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2024:1116

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 maart 2024
Publicatiedatum
11 maart 2024
Zaaknummer
10588881 \ CV EXPL 23-2804
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering en proceskosten in civiele zaak over aanneming van werk

In deze civiele procedure vordert eiser betaling van een openstaand bedrag voortvloeiend uit een bijzondere overeenkomst van aanneming van werk. De kantonrechter heeft in een tussenvonnis overwogen de betalingsverplichting van gedaagde met 25% te verminderen en gedaagde in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Gedaagde heeft niet gereageerd.

De kantonrechter wijst een bedrag van €1.871,25 aan hoofdsom toe, verminderd met reeds gedane betalingen van €850,00, zodat een restant van €1.021,25 wordt toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over een te hoog bedrag wordt afgewezen. Daarnaast worden de buitengerechtelijke incassokosten van €246,75 niet toegewezen omdat niet is gebleken dat een aanmaning conform artikel 6:96 lid 6 BW Pro is verstuurd.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het toegewezen bedrag vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagvaarding en tot betaling van proceskosten van €523,82. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €1.021,25 plus wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10588881 \ CV EXPL 23-2804
Vonnis van 6 maart 2024
in de zaak van
[eiser] ,h.o.d.n.
[handelsnaam],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.M.B. Lukassen,
tegen
[gedaagde],
wonende [adres] ,
[woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De verdere procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 november 2023
- de aantekening van de griffier op de rol van 3 januari 2024 dat [gedaagde] niet heeft gereageerd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter:
- overwogen voornemens te zijn de betalingsverplichting van [gedaagde] met
25% te verminderen
- [gedaagde] in de gelegenheid gesteld zich over de voorgenomen vernietiging uit
te laten, waarna [eiser] in de gelegenheid zal worden gesteld een antwoordakte te nemen.
2.2.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om terug te komen van hetgeen in het tussenvonnis is overwogen. [gedaagde] heeft niet gereageerd.
2.3.
Op grond van voorgaande overwegingen zal een bedrag van € 1.871,25 aan gesanctioneerde hoofdsom worden toegewezen.
2.4.
De gevorderde vervallen wettelijke rente vanaf 30 oktober 2022 tot en met 26 mei 2023 ten bedrage van € 31,91 is niet toewijsbaar aangezien deze over een te hoog bedrag is berekend.
2.5.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Het verzuim is op of na 1 juli 2012 ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten (artikel 6:96 leden Pro 5 en 6 BW). De gevorderde vergoeding van € 246,75 komt niet voor toewijzing in aanmerking. Er is namelijk niet gebleken dat aan [gedaagde] een aanmaning is verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro.
2.6.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
1.871,25
- buitengerechtelijke incassokosten
0,00
+
totaal
1.871,25
- betalingen
850,00
-/-
Totaal
1.021,25
2.7.
De wettelijke rente over het toegewezen bedrag zal worden toegewezen vanaf 9 juni 2023 (= de datum van dagvaarding).
2.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Nu de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.021,25 blijft een deel van het griffierecht, zijnde een bedrag van € 30,00 (€ 244,00 -/- € 214,00) voor rekening van [eiser] . Het salaris voor de gemachtigde zal worden toegekend op basis van het toegewezen bedrag. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
107,32
- griffierecht
214,00
- salaris gemachtigde
135,00
(1,00 punten × € 135,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
523,82

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.021,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 1.021,25, met ingang van 9 juni 2023, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 523,82, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.V.L. Heuts en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2024.
type: JEC