Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
3.
[gedaagde sub 3],
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 29 oktober 2024 ter gelegenheid waarvan zijdens Lema spreekaantekeningen zijn overgelegd.
Rechtbank Limburg
In deze kort geding procedure vordert Lema Weert B.V. de ontruiming van een onroerende zaak die zij verhuurt aan [gedaagde sub 3], met onderhuurders [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. De kern van het geschil is of sprake is van een huurovereenkomst of van hoevepacht, een bijzondere pachtvorm met een minimale looptijd van 12 jaar die niet tussentijds kan worden beëindigd zonder toestemming van de grondkamer.
De voorzieningenrechter oordeelt dat, hoewel partijen een beëindigingsovereenkomst hebben gesloten per 27 maart 2024, de hoofdgebruikers de onroerende zaak niet hebben ontruimd. Er is geen sprake van hoevepacht omdat onvoldoende aannemelijk is dat er een professionele paardenfokkerij wordt geëxploiteerd. De overeenkomst wordt dan ook als huurovereenkomst gekwalificeerd, die rechtsgeldig is beëindigd. Het gebruik na afloop van de huurperiode tot 31 juli 2024 is als bruikleen aangemerkt, omdat er geen redelijke tegenprestatie is betaald.
De voorzieningenrechter wijst de vordering tot ontruiming toe en stelt een termijn van twee weken voor ontruiming vast. De gevorderde machtiging tot zelf ontruimen wordt afgewezen, evenals de vordering tot betaling van een gebruiksvergoeding en buitengerechtelijke kosten. Een dwangsom wordt opgelegd wegens de weigering om vrijwillig te ontruimen. De proceskosten worden toegewezen aan Lema, met compensatie voor [gedaagde sub 2] die de woning al heeft verlaten.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de ontruimingsvordering toe en bepaalt een ontruimingstermijn van twee weken.