De rechtbank Limburg behandelde een civiele bodemprocedure waarin eisers vergoeding vorderden van verzorgings- en stallingskosten van een paard, waarvan gedaagde eigenaar is. Het geschil ontstond na beëindiging van een affectieve relatie tussen gedaagde en de zoon van eiser sub 1, waarbij het paard in kwestie door eisers werd verzorgd en gestald terwijl gedaagde eigenaar was.
De rechtbank stelde vast dat Nederlands recht van toepassing is en dat gedaagde eigenaar is van het paard. Eisers vorderden vergoeding van kosten vanaf maart 2020 tot januari 2024, stellende dat gedaagde ongerechtvaardigd is verrijkt omdat zij deze kosten niet zelf heeft gedragen. Gedaagde voerde verweer met onder meer een beroep op onrechtmatige daad, eigen schuld en een vaststellingsovereenkomst.
De rechtbank verwierp het verweer van onrechtmatige daad en concludeerde dat geen sprake was van onrechtmatig handelen door eisers. Wel werd aangenomen dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking omdat gedaagde als eigenaar geen kosten hoefde te maken terwijl eisers deze wel droegen. De rechtbank beoordeelde de omvang van de kosten op basis van ingediende facturen en redelijkheid, en wees een totaalbedrag van € 27.775,65 toe aan eisers.
De vorderingen van gedaagde in (voorwaardelijke) reconventie werden afgewezen, waaronder de vordering tot opheffing van conservatoir beslag en schadevergoeding. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten, beslagkosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met enkele uitzonderingen.