De zaak betreft het beroep tegen een besluit tot sluiting van een woning wegens de aanwezigheid van een hennepplantage. Op 30 juni 2020 werd in de woning een operationele hennepplantage met 229 planten aangetroffen, evenals attributen die duiden op drugshandel. De burgemeester van Heerlen legde op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op tot sluiting van de woning voor zes maanden.
Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening, welke werd afgewezen. De woning werd feitelijk gesloten op 1 september 2020 en later verkocht. De rechtbank oordeelt dat verweerder bevoegd was tot sluiting en dat de woning in overwegende mate werd gebruikt voor hennepteelt, hetgeen wordt ondersteund door de bestuurlijke rapportage en foto’s.
Eiser voerde aan dat het beleid onjuist werd toegepast en dat de woning wel degelijk bewoond was, maar dit werd onvoldoende onderbouwd. De rechtbank stelt dat de woning geen normale bewoning vertoonde en dat de sluiting proportioneel en subsidiariteit is toegepast. Het beroep wordt ongegrond verklaard.