De moeder heeft verzocht om de ontkenning van het vaderschap van de man over haar kind gegrond te verklaren. Het kind is binnen 300 dagen na de ontbinding van het huwelijk geboren, waardoor volgens Pools recht de man vermoed wordt de vader te zijn. De moeder betwist dit op basis van een DNA-verwantschapsonderzoek.
De rechtbank heeft vastgesteld dat op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag het gezag over het kind volgens Nederlands recht moet worden beoordeeld, waarbij de moeder het gezag alleen uitoefent. Voor het familierechtelijke vaderschapsvermoeden is echter Pools recht van toepassing, omdat zowel de moeder als de man de Poolse nationaliteit hebben.
Uit het DNA-onderzoek blijkt met een zeer hoge waarschijnlijkheid dat de man niet de biologische vader is. De rechtbank acht de waarborgen rondom het DNA-onderzoek voldoende en concludeert dat het vaderschap van de man kan worden ontkend. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder toe en verklaart de ontkenning van het vaderschap gegrond.