ECLI:NL:RBLIM:2023:7594

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 december 2023
Publicatiedatum
15 januari 2024
Zaaknummer
C/03/324497 HARK 23-195
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter afgewezen wegens ontbreken van vooringenomenheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die betrokken was bij een zaak over wijziging van de omgangsregeling tussen verzoeker en zijn minderjarige kinderen. De procedure betrof lopende ondertoezichtstelling en werd behandeld door de rechtbank Limburg.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek op grond van artikel 36 Rv Pro, waarbij de objectieve toets voor onpartijdigheid centraal staat. Het enkele feit dat de rechter een eerdere voor verzoeker onwelgevallige beslissing had genomen, werd niet als grond voor wraking erkend. Ook de toelichting van de rechter over zijn beslissing om het verzoek zelf te behandelen, leverde geen aanwijzing voor vooringenomenheid op.

De wrakingskamer concludeerde dat er geen feiten of omstandigheden waren die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleverden. Het verzoek tot wraking werd daarom ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de rechter wordt afgewezen wegens ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/ 324497 HARK 23-195
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op verzoek van
[verzoeker]
wonende te [woonplaats] ,
hierna: verzoeker.
dat strekt tot wraking van mr. F. Oelmeijer, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Op 16 november 2023 heeft de mondelinge behandeling van de zaken C/03/323606/JE RK 23-1886 en C/03/32607/JE RK 23-1887 plaatsgevonden. Deze zaken gaan over een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling tussen verzoeker en zijn minderjarige kinderen, tijdens een lopende ondertoezichtstelling, ingediend door de Stichting Jeugdbescherming Limburg, locatie Roermond. De Stichting Jeugdbescherming wordt in deze procedure vertegenwoordigd door het Landelijk Expertiseteam Jeugdbescherming (hierna: LET-JB). Verzoeker en de moeder van de kinderen zijn als belanghebbenden aangemerkt. Tijdens deze mondelinge behandeling is door verzoeker een verzoek tot wraking ingediend tegen de rechter.
1.2.
De rechter heeft de wrakingskamer op 11 december 2023 schriftelijk zijn reactie op dit verzoek tot wraking gegeven en daarin bericht dat hij niet berust in de wraking.
1.3.
De meervoudige kamer heeft het verzoek vervolgens op 14 december 2023 ter terechtzitting behandeld. Verzoeker is, zonder nader bericht, niet verschenen. De rechter is niet verschenen, zoals vooraf aangekondigd.

2.De gronden van het verzoek

2.1.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij geen vertrouwen heeft in de rechter, omdat deze met de vorige beschikking de door het Hof vastgestelde omgangsregeling onderuit heeft gehaald en omdat de vorige beschikking heeft geleid tot onethisch handelen van het LET-JB.

3.Het standpunt van de rechter

3.1.
De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat de grond voor wraking is gelegen in een eerder genomen inhoudelijke tussenbeslissing in de betreffende zaken, waarmee verzoeker zich niet kan verenigen. Volgens de rechter is dit juridisch geen grond voor wraking. De rechter heeft in zijn schriftelijke reactie toegelicht dat hij ter zitting zijn twijfels heeft uitgesproken over de vraag of hij het verzoek zelf zou behandelen. Hij heeft uitgelegd waarom hij heeft besloten om het verzoek toch zelf te behandelen. Vervolgens heeft verzoeker de rechter gewraakt.

4.De beoordeling

Juridisch kader

4.1.
Op grond van artikel 36 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan een rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking geldt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, of dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.
4.3.
Een processuele beslissing waarin een procesdeelnemer zich niet kan vinden, is op zichzelf geen grond om een wrakingsverzoek toe te wijzen en te oordelen dat deze beslissing de onpartijdigheid van de rechter raakt. Ook de motivering van die beslissing wordt, gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, in beginsel niet op juistheid of begrijpelijkheid beoordeeld door de wrakingskamer, tenzij de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid.
Het oordeel van de wrakingskamer
4.4.
De wrakingskamer is van oordeel dat het gegeven dat de rechter eerder een voor verzoeker onwelgevallige beslissing heeft genomen, in beginsel geen grond vormt voor wraking. Dat zou anders zijn indien er anderszins zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid bij de rechter, maar daarvan is niet gebleken.
4.5.
De wrakingskamer is verder van oordeel dat de toelichting van de rechter over waarom hij het verzoek tot wijziging van de omgangsregeling toch zelf zal behandelen, evenmin een aanwijzing oplevert voor het aannemen van vooringenomenheid van de rechter.
4.6.
Alles overwegende is de wrakingskamer van oordeel dat er geen sprake is van feiten of omstandigheden, al dan niet in combinatie met elkaar, die een aanwijzing opleveren voor het aannemen van vooringenomenheid van de rechter, laat staan een zwaarwegende aanwijzing.
4.7.
Het verzoek is dan ook ongegrond en wordt daarom afgewezen.

5.De beslissing

De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking van de rechter af.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. A.K. Kleine en
mr.drs. C.M.J. van den Acker, bijgestaan door mr. F.A.E. van de Venne, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2023.