Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten
Zoals je weet kampen wij al geruime tijd met gezondheidsklachten, waardoor wij sinds november 2020 onze horecazaak te koop hebben staan.
Rechtbank Limburg
Eiseres huurde sinds 1 april 2018 een bedrijfsruimte met bovenwoning voor haar horecaonderneming. Zij zegde de huur per 1 april 2023 op vanwege gezondheidsklachten en stelde een mogelijke nieuwe huurder voor aan gedaagde. Gedaagde weigerde echter in te stemmen met de indeplaatsstelling. Eiseres vorderde daarop een schadevergoeding wegens wanprestatie of onrechtmatige daad.
De kantonrechter oordeelde dat voor indeplaatsstelling instemming van de verhuurder vereist is en dat eiseres geen duidelijk en onderbouwd verzoek heeft gedaan, noch heeft aangetoond dat de beoogde huurder voldoende waarborg bood. Ook was niet vastgesteld dat sprake was van een daadwerkelijke bedrijfsoverdracht, maar mogelijk slechts van overname van de huurderspositie en het energiecontract.
Verder was de huurovereenkomst rechtsgeldig opgezegd en beëindigd per 31 maart 2023, zonder voorwaardelijke opzegging. Hierdoor kon de indeplaatsstelling alleen voor een kortere periode gelden, wat een rechtvaardiging vormde voor de weigering van gedaagde. Omdat eiseres niet de wettelijke procedure via de kantonrechter is gestart, is geen wanprestatie of onrechtmatige daad vastgesteld.
De vordering tot schadevergoeding wordt daarom integraal afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens weigering indeplaatsstelling wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.