Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2023:7051

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 november 2023
Publicatiedatum
4 december 2023
Zaaknummer
10666251 \ CV EXPL 23-3586
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling zorgverzekeringsachterstand door VGZ tegen consument

VGZ Zorgverzekeraar N.V. heeft een vordering ingesteld tegen een consument wegens een openstaande schuld uit hoofde van een zorgverzekeringsovereenkomst. De totale achterstand bedroeg €9.443,42, verminderd met deelbetalingen, met daarnaast wettelijke rente.

De gedaagde erkende de vordering en wenste een betalingsregeling, maar voerde geen zelfstandig verweer tegen de hoofdsom of de rente. De kantonrechter oordeelde dat de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht niet waren geschonden en dat de vordering toewijsbaar was.

De kantonrechter veroordeelde de gedaagde tot betaling van €6.978,49 plus wettelijke rente vanaf 4 augustus 2023, alsmede tot vergoeding van de proceskosten. Een betalingsregeling kon in deze procedure niet worden getroffen; daarvoor dient gedaagde zich tot VGZ te wenden.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €6.978,49 plus wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10666251 \ CV EXPL 23-3586
Vonnis van de kantonrechter van 29 november 2023
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
gevestigd te Arnhem,
eisende partij,
gemachtigde Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen:
[gedaagde],
wonende [adres] ,
[woonplaats] ,
gedaagde partij,
procederende in persoon.
Partijen zullen hierna VGZ en [gedaagde] worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
VGZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van
€ 6.978,49, te vermeerderen met rente en kosten.
2.2.
Ter onderbouwing van haar vordering voert VGZ (samengevat) het volgende aan.
VGZ heeft op grond van een met [gedaagde] gesloten zorgverzekeringsovereenkomst bedragen bij [gedaagde] in rekening gebracht. De totale achterstand bedraagt volgens VGZ
€ 9.443,42. Daarnaast is [gedaagde] aan haar de wettelijke rente verschuldigd. VGZ berekent de wettelijke rente tot 4 augustus 2023 op € 837,42. Op de vordering kan nog een bedrag van € 3.302,35 aan deelbetalingen in mindering strekken.
2.3.
[gedaagde] erkent de vordering. Zij wil graag een betalingsregeling.

3.De beoordeling

3.1.
[gedaagde] is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn.
Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’).
3.2.
De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak geen beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht zijn geschonden.
3.3.
Uit het antwoord van [gedaagde] is de kantonrechter gebleken dat de vordering ten aanzien van de hoofdsom niet althans onvoldoende wordt betwist, zodat deze voor toewijzing in aanmerking komt.
3.4.
[gedaagde] heeft geen zelfstandig verweer gevoerd tegen de gevorderde vervallen wettelijke rente van € 837,42, zodat die - als op de wet gegrond - wordt toegewezen. Ook de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2023 kan worden toegewezen.
3.5.
De conclusie van het voorgaande is dat een bedrag van € 6.978,49, bestaande uit:
- € 9.443,42 aan hoofdsom
- € 837,42 aan vervallen wettelijke rente
- minus € 3.302,35 aan deelbetaling
zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 6.978,49 vanaf 4 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling.
3.6.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van VGZ worden begroot op:
  • dagvaarding € 130,49
  • griffierecht € 514,00
  • salaris gemachtigde €
totaal € 974,48
3.7.
De gevorderde nakosten worden, met inachtneming van de richtlijnen van het LOVCK, toegewezen op de hierna in het dictum te vermelden wijze. De gevorderde btw over de nakosten zal, voor zover die nakosten zien op het salaris gemachtigde, worden afgewezen nu hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat.
3.8.
Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat voor het treffen van de door [gedaagde] gewenste betalingsregeling in het kader van deze procedure geen plaats is. [gedaagde] dient zich daartoe tot VGZ te wenden.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 6.978,49, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure aan de zijde van VGZ gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 974,48,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] als deze niet binnen twee weken na aanschrijving door VGZ volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 132,00 aan salaris gemachtigde,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, dit bedrag te vermeerderen met de hierover verschuldigd zijnde btw,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.V.L. Heuts en in het openbaar uitgesproken
type: JEC