Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2023:7049

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 november 2023
Publicatiedatum
4 december 2023
Zaaknummer
10646226 \ CV EXPL 23-3391
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:119b BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering betaling energiecontract en wettelijke rente toegewezen aan Eneco

Eneco heeft een vordering ingesteld tegen Nefeli wegens niet-betaling van voorschotnota's en een eindnota voor energie geleverd aan een adres in Maastricht. De levering vond plaats van 13 juli 2021 tot 5 maart 2022. Nefeli erkent de schuld voor de eindnota, maar betwist betaling van voorschotnota's vanwege een vermeende afspraak tijdens de coronaperiode.

Eneco ontkent dat zij toestemming heeft gegeven om betalingen stop te zetten en heeft meerdere pogingen gedaan contact te leggen met Nefeli, die niet is verschenen bij de mondelinge behandeling. De kantonrechter acht het verweer onvoldoende onderbouwd en wijst de vordering toe voor het bedrag van €2.500, inclusief wettelijke rente vanaf 17 juli 2023.

De buitengerechtelijke incassokosten en rente tot die datum behoeven geen verdere beoordeling. Nefeli wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.068,73. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitkomst: Nefeli wordt veroordeeld tot betaling van €2.500 met wettelijke rente vanaf 17 juli 2023 en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10646226 \ CV EXPL 23-3391
Vonnis van 29 november 2023
in de zaak van
ENECO SERVICES B.V.,
te Rotterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Eneco,
gemachtigde: Flanderijn,
tegen
NEFELI B.V.,
te Maastricht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Nefeli,
vertegenwoordigd door R. Ravesteijn.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 17 juli 2023 met producties 1 tot en met 3;
- de brief met bijlagen van Nefeli die bij de rechtbank is binnengekomen op 6 september 2023 en die wordt aangemerkt als conclusie van antwoord;
- de brief van 13 september 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de brief van 13 oktober 2023 van Eneco met producties 4 tot en met 11;
- de e-mail van Nefeli op 24 oktober 2023 om 10:53 uur;
- de mondelinge behandeling van 24 oktober 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Namens Nefeli is niemand verschenen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen Eneco en Nefeli heeft een zakelijke overeenkomst bestaan voor de levering van energie ten behoeve van het adres Tongersestraat 23 in Maastricht. Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden voor de levering van elektriciteit en gas Eneco Zakelijk 2018 van toepassing.
2.2.
De levering is ingegaan op 13 juli 2021 en geëindigd op 5 maart 2022.
2.3.
Nefeli heeft enkele voorschotnota’s en de eindnota, ondanks daartoe te zijn verzocht en aangemaand, niet (geheel) betaald.

3.Het geschil

3.1.
Eneco vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Nefeli zal veroordelen om aan Eneco te betalen tegen bewijs van kwijting:
  • primair: uit hoofde van het niet nakomen van het energiecontract € 2.500,00, zijnde een deel van de totale vordering, onder reserve van rechten op invordering van het restant, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • subsidiair: uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking € 2.500,00, zijnde een deel van de totale vordering, onder reserve van rechten op invordering van het restant, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • zowel primair als subsidiair: in de proceskosten.
3.2.
Eneco legt aan haar vordering de stelling ten grondslag dat primair sprake is van niet-nakoming van het energiecontract en subsidiair dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.
3.3.
Nefeli voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van Eneco met – zo begrijpt de kantonrechter – veroordeling van Eneco in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt vast dat de totale vordering van Eneco € 4.866,85 bedraagt en als volgt is opgebouwd:
  • hoofdsom € 4.214,41, bestaande uit € 2.420,00 aan voorschotnota’s en een eindnota waarvan € 1.794,41 resteert;
  • buitengerechtelijke incassokosten € 546,44;
  • rente tot 17 juli 2023 € 106,00.
4.2.
Uit het antwoord van Nefeli is gebleken dat de vordering van Eneco niet wordt betwist voor zover deze ziet op de eindnota ad € 2.012,21. Het door Eneco gevorderde zal dan ook in zoverre worden toegewezen.
4.3.
Voorts stelt Nefeli zich op het standpunt dat met Eneco is afgesproken dat de maandtermijnen/voorschotnota’s niet betaald hoefden te worden tijdens de coronaperiode omdat er geen omzet was en geen tot weinig verbruik in verband met de sluiting van horecagelegenheden van overheidswege.
4.4.
Eneco betwist dat zij aan Nefeli toestemming heeft gegeven om de termijnbedragen in verband met corona niet te betalen. Nefeli heeft omstreeks 12 januari 2022 verzocht om de termijnen stop te zetten in verband met de gedwongen sluiting van horecagelegenheden vanuit de overheid (productie 6 van Eneco). Eneco heeft vervolgens geprobeerd om telefonisch in contact te komen met Nefeli, maar is daarin niet geslaagd. Eneco heeft Nefeli gevraagd om telefonisch contact met haar op te nemen en dat heeft Nefeli niet gedaan. Daarna heeft Nefeli op 6 september 2022 Eneco verzocht om een afbetalingsregeling te treffen voor de op dat moment openstaande achterstand (productie 8 van Eneco).
4.5.
Door bij de mondelinge behandeling niet te verschijnen heeft Nefeli niet meer gereageerd op de betwisting van Eneco, terwijl dat – gelet op artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – wel op haar weg had gelegen om te doen. Het verweer van Nefeli wordt daarom als onvoldoende onderbouwd gepasseerd en kan dan ook niet leiden tot afwijzing van de vordering van Eneco.
4.6.
Nu Nefeli de stelling van Eneco dat partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zijn overeengekomen dat Nefeli maandelijks een voorschot aan Eneco moet betalen voor de geleverde energie niet heeft betwist, wordt uitgegaan van de juistheid daarvan en zal het door Eneco gevorderde worden toegewezen voor zover dit ziet op de voorschotnota’s.
4.7.
Het standpunt van Nefeli dat de verhuurder van het pand aan de Tongersestraat 23 in Maastricht altijd heeft aangegeven dat er een verrekening zou plaatsvinden met betrekking tot het gebruik van gas, water en licht is niet relevant nu dit enkel iets zegt over de contractuele verhouding tussen Nefeli en verhuurder en niet over de contractuele verhouding tussen Nefeli en Eneco.
4.8.
Het restant van de eindnota en de voorschotnota’s bedragen bij elkaar opgeteld meer dan de € 2.500,00 waartoe Eneco haar vordering heeft beperkt. De door Eneco gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente tot 17 juli 2023 behoeven daarom geen bespreking en beoordeling meer.
4.9.
Eneco vordert wettelijke rente over de nog openstaande hoofdsom vanaf 17 juli 2023. Nu Eneco in de dagvaarding de overeenkomst tussen partijen betiteld als een zakelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) of artikel 6:119b BW begrijpt de kantonrechter dat Eneco de wettelijke handelsrente bedoelt te vorderen. De wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119b BW zal worden afgewezen omdat geen sprake is van een handelsovereenkomst met een overheidsinstantie. De wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW zal over het bedrag van € 2.500,00 worden toegewezen nu Nefeli tegen de verschuldigdheid daarvan geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd en zij in verzuim verkeert.
4.10.
Nu de primaire vordering van Eneco wordt toegewezen, behoeft de subsidiaire vordering geen bespreking en beoordeling meer.
4.11.
Nefeli is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Eneco vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding € 106,73
- griffierecht € 365,00
- salaris gemachtigde € 497,50 (2,5 punten x tarief € 199,00)
- nakosten
€ 99,50
Totaal € 1.068,73.

5.De beslissing

5.1.
veroordeelt Nefeli om tegen bewijs van kwijting aan Eneco te betalen € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, met ingang van 17 juli 2023 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Nefeli in de proceskosten van € 1.068,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Nefeli niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan dient Nefeli ook de kosten van betekening te betalen,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2023.
CL