In deze zaak diende een incident over de absolute competentie van de rechtbank Limburg, kamer voor andere dan kantonzaken. Gedaagden vorderden dat de rechtbank zich onbevoegd verklaarde en de zaak zou verwijzen naar de kantonrechter, omdat de waarde van de vorderingen van eisers naar hun mening lager was dan € 25.000.
Eisers hadden meerdere primaire vorderingen ingesteld, waaronder een verklaring voor recht die van onbepaalde waarde is. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende gegevens waren aangeleverd om de waarde van deze vordering vast te stellen en dat de totale waarde van de vorderingen beslissend is voor de absolute competentie. Hierdoor viel de zaak onder de bevoegdheid van de rechtbank, kamer voor andere dan kantonzaken.
Het incidenteel gevorderde werd afgewezen en gedaagden werden veroordeeld in de kosten van het incident. De zaak blijft op de rol staan voor verdere behandeling op 27 december 2023.