Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV waarin de WIA-uitkering werd verlaagd vanwege een gedeeltelijk vroegpensioen. Het bezwaar werd door het UWV ongegrond verklaard, waarna verzoeker beroep instelde bij de rechtbank. Later wijzigde het UWV het bestreden besluit en verklaarde het bezwaar alsnog gegrond, omdat het vroegpensioen niet als inkomen mocht worden aangemerkt.
Naar aanleiding hiervan trok verzoeker het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank stelde vast dat het UWV geheel aan het beroep tegemoet was gekomen en wees het verzoek om proceskostenvergoeding toe. De proceskosten werden vastgesteld op € 837,- voor rechtsbijstand, exclusief het griffierecht dat door het UWV vergoed moet worden.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is op 21 november 2023 gepubliceerd. Zowel het UWV als de werkgever reageerden niet op het verzoek om proceskostenvergoeding.