De zaak betreft een geschil over onrechtmatige onttrekking van gelden van de gezamenlijke bankrekeningen van de heer [eisende partij sub 2] en mevrouw [eisende partij sub 1]. [kind1] heeft in de periode dat haar vader in het ziekenhuis verbleef, grote bedragen contant opgenomen en overgeboekt naar zichzelf en andere familieleden. De bewindvoerders van beide rekeninghouders stelden dat deze handelingen zonder recht of geldige titel waren verricht.
[kind1] voerde aan dat zij handelde op basis van machtigingsformulieren van de ING bank en dat er toestemming was gegeven, mede gebaseerd op een schriftelijke verklaring van haar vader waarin hij haar machtigde gelden op te nemen en te schenken. De rechtbank oordeelde echter dat de machtigingen niet toereikend waren voor de omvangrijke transacties en dat de wilsbekwaamheid van haar vader ten tijde van de verklaring twijfelachtig was.
De rechtbank stelde vast dat [kind1] onvoldoende had onderbouwd dat zij gerechtigd was tot de onttrekkingen en dat ook de toestemming van mevrouw [eisende partij sub 1] ontbrak. De vordering tot terugbetaling van €60.300, vermeerderd met wettelijke rente, werd toegewezen, terwijl de proceskosten werden gecompenseerd vanwege de familierelatie.