ECLI:NL:RBLIM:2023:4985

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 augustus 2023
Publicatiedatum
24 augustus 2023
Zaaknummer
ROE 23 / 1494
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 Bor
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening geweigerd wegens ontbreken materiële connexiteit bij weigering omgevingsvergunning woningsplitsing

Verzoeker heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor de splitsing van een woning in drie appartementen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas heeft deze vergunning geweigerd omdat niet kan worden afgeweken van het bestemmingsplan zonder dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om handhavend optreden gedurende de bezwaarprocedure te voorkomen. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en stelde vast dat het verzoek niet betrekking had op de inhoud van het bestreden besluit, maar op eerder opgelegde handhavingsmaatregelen.

Omdat het verzoek om voorlopige voorziening niet materieel connex was aan het bestreden besluit, werd het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder had bovendien toegezegd geen handhavend op te treden zolang het bezwaar nog niet was beslist. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van materiële connexiteit.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23 / 1494
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 augustus 2023 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats 1] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten om de door verzoeker aangevraagde omgevingsvergunning voor een woningsplitsing van het pand gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2] tot drie appartementen te weigeren.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
De feiten
2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 31 maart 2023 heeft verzoeker een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend ten behoeve van de woningsplitsing van het pand gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2] tot drie appartementen. De aanvraag ziet op de activiteiten ‘bouwen’ [1] en het ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ [2] . Bij het bestreden besluit heeft verweerder besloten om de aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Volgens verweerder kan in dit geval niet worden afgeweken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, en onder 2˚, van de Wabo in samenhang met artikel 4, negende lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), omdat er geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
3. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Met een voorlopige voorziening wil verzoeker voorkomen dat de huidige bewoners uit het appartement worden gezet en dus op straat komen. Daarnaast heeft verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek aangegeven dat zolang de procedure loopt het hem niet terecht lijkt dat verweerder handhavend optreedt of aan hem een dwangsom oplegt.
Oordeel voorzieningenrechter
4. In artikel 8:81 van Pro de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
5.1.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om in deze zaak van deze bevoegdheid gebruik te maken.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker op 6 juli 2023 een bezwaarschrift tegen het bestreden besluit heeft ingediend. Hangende dit bezwaar heeft verzoeker tevens op 6 juli 2023 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter dient bij ieder verzoek om voorlopige voorziening eerst, ambtshalve, vast te stellen of een verzoek ontvankelijk is. Pas daarna kan een inhoudelijke beoordeling ervan volgen. Een vereiste voor ontvankelijkheid van een verzoek om een voorlopige voorziening is dat het verzoek betrekking moet hebben op de inhoud van het bestreden besluit waarvoor een voorziening wordt gevraagd. Dat heet ook wel het in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb besloten liggende materiële connexiteitsvereiste. Aan dat vereiste is in deze zaak niet voldaan. De voorzieningenrechter licht zijn oordeel als volgt toe.
6.1.
Uit de hiervoor genoemde onderbouwing van het verzoek leidt de voorzieningenrechter af dat verzoeker met het indienen van zijn verzoek wil voorkomen dat verweerder overgaat tot handhavend optreden. Nu verzoeker met het verzoek schorsing van handhavend optreden wil bewerkstelligen, heeft dit verzoek geen betrekking op de inhoud van het bestreden besluit, namelijk de weigering van de omgevingsvergunning, maar op de eerder aan verzoeker opgelegde last onder dwangsom. Nu het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk betrekking heeft op het hier voorliggende bestreden besluit, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vereiste materiële connexiteit ontbreekt. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaren.
7. De voorzieningenrechter neemt daarbij in overweging dat verweerder heeft toegezegd niet tot handhavend optreden over te zullen gaan totdat op het bezwaar van verzoeker tegen het bestreden besluit is beslist.
Conclusie
8. De conclusie van het voorgaande is dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is.
8.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Genders, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op: 10 augustus 2023. .
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 10 augustus 2023

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.