Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
[verdachte] ,
verblijvende in de [P.I.] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. H.P. Ruysink, advocaat te Bunde ( [adres] ),
Rechtbank Limburg
De veroordeelde, een Hongaarse onderdaan zonder binding met Nederland, werd veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf en kwam op 20 juli 2023 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.). Het Openbaar Ministerie besloot echter op 3 juni 2023 om geen v.i. toe te kennen, zonder voorafgaand onderzoek naar de uitvoerbaarheid van v.i. in Hongarije.
De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat het OM naliet te onderzoeken of terugkeer naar Hongarije mogelijk was en onder welke voorwaarden, waardoor de beslissing niet redelijk was genomen en neerkwam op een extra straf.
De rechtbank oordeelde dat het systeem van v.i. onvoldoende is ingericht om rekening te houden met EU-onderdanen die hun straf in hun land van herkomst willen ondergaan. Het OM had moeten onderzoeken of Hongarije toezicht kon houden op de voorwaarden van v.i. en nagelaten dit te doen. Hierdoor kon het OM niet redelijk tot zijn beslissing komen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en bepaalde dat de veroordeelde per 20 juli 2023 voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld onder de algemene voorwaarde dat hij zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit tijdens de proeftijd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het niet voorwaardelijk in vrijheid stellen is gegrond verklaard en de veroordeelde wordt per 20 juli 2023 voorwaardelijk in vrijheid gesteld.