ECLI:NL:RBLIM:2023:4260
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering WIA-uitkering en verrekening proceskosten door UWV
Eiser ontving een WIA-uitkering en werd geconfronteerd met terugvorderingsbesluiten van het UWV over de periode november 2020 tot februari 2021, waarbij een te hoog ontvangen bedrag werd vastgesteld. Het UWV verreken de vergoeding van kosten in bezwaar met de openstaande vordering, wat eiser betwistte. De rechtbank oordeelde dat het UWV de terugvordering correct had vastgesteld en dat de verrekening van de kosten binnen de bevoegdheid van het UWV viel.
Eiser stelde dat het primaire besluit III niet tijdig was genomen en dat het UWV onrechtmatig had gehandeld door de vergoeding niet aan zijn gemachtigde te betalen. De rechtbank stelde vast dat het bezwaar tegen het primaire besluit III onterecht door het UWV was behandeld en kwalificeerde dit besluit als een bijkomend besluit. De rechtbank concludeerde dat het besluit tot verrekening tijdig was bekendgemaakt en dat er geen dwangsommen verschuldigd waren.
Verder wees de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens wettelijke rente af, maar kende wel een vergoeding van € 500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de Staat werd veroordeeld tot betaling. De proceskosten werden verdeeld tussen het UWV en de Staat, waarbij het UWV de kosten van het beroep en griffierecht aan eiser moest vergoeden. De beroepen tegen de bestreden besluiten werden overwegend ongegrond verklaard, met vernietiging van het bestreden besluit III voor zover het de verrekening betrof.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt overwegend ongegrond verklaard; de terugvordering en verrekening door het UWV zijn correct, met een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding redelijke termijn toegekend.