ECLI:NL:RBLIM:2023:1415

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 februari 2023
Publicatiedatum
23 februari 2023
Zaaknummer
C/03/313516 / HA RK 23-6 en C/03/313990/ HA RK 23-18
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:16 AwbArt. 4 Wrakingsprotocol rechtbank Limburg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op wrakingsverzoek en vervallenverklaring rechterlijke uitspraak

Verzoekers dienden meerdere wrakingsverzoeken in tegen mr. P.H. Broier, rechter in de rechtbank Limburg, in bestuursrechtelijke procedures. Het eerste verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan motivatie. Een tweede verzoek tot wraking en een verzoek tot vervallenverklaring van de eerdere uitspraak werden eveneens afgewezen.

De wrakingskamer benadrukte dat vervallenverklaring een ambtshalve en buitenwettelijke maatregel is, bedoeld voor ernstige, niet-rectificeerbare fouten van de rechter die niet via reguliere rechtsmiddelen kunnen worden hersteld. In dit geval was geen sprake van een dergelijke fout.

Verder oordeelde de kamer dat het nieuwe wrakingsverzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatte en daarmee niet-ontvankelijk was. Het lichtvaardig inzetten van het wrakingsmiddel werd aangemerkt als misbruik van recht, waardoor toekomstige wrakingsverzoeken tegen dezelfde rechter in deze zaken niet in behandeling worden genomen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard, het verzoek tot vervallenverklaring afgewezen en een wrakingsverbod opgelegd wegens misbruik van recht.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummers: C/03/313516 / HA RK 23-6 en C/03/313990/ HA RK 23-18
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op de verzoeken van
[verzoeker 1],
wonend te [woonplaats] ,
en
[verzoeker 2]
kantoorhoudend te [vestigingsplaats] ,
verzoekers,
die strekken tot wraking van mr. P.H. Broier, rechter in de rechtbank Limburg (hierna: de rechter), respectievelijk vervallenverklaring van de uitspraak van de wrakingskamer van 13 januari 2023 in zaaknummer: C/03/312169 HARK 22-305.

1.De procedure

Verzoekers hebben op 7 december 2022 een verzoek tot wraking van de rechter ingediend in de (bestuursrechtelijke) procedures ROE 21/546, ROE 21/1197 en ROE 21/1626. Bij uitspraak van 13 januari 2023 in zaaknummer C/03/312169 HARK 22-305 heeft de wrakingskamer dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzoek – in strijd met artikel 8:16, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) – niet was gemotiveerd.
Op 15 januari 2023 hebben verzoekers andermaal een verzoek tot wraking van de rechter ingediend.
Op 19 januari 2023 hebben verzoekers verzocht de uitspraak van 13 januari 2023 vervallen te verklaren.

2.De beoordeling

Verzoek tot vervallen verklaring

2.1.
De wrakingskamer stelt voorop dat de vervallenverklaring van een (bestuursrechtelijke) uitspraak – waaronder ook een uitspraak van de wrakingskamer op een wrakingsverzoek in een bestuursrechtelijke procedure is te begrijpen – steeds een ambtshalve beslissing is, ongeacht of de rechter hiertoe uit eigen beweging overgaat dan wel naar aanleiding van een verzoek. Het is geen verzoekschriftprocedure. Ook gaat het niet om een buitenwettelijk rechtsmiddel dat
moetworden ingesteld wil de rechter corrigeren. Het is de rechter die, al dan niet naar aanleiding van een klacht, een aperte, aan partij niet toe te rekenen, misslag ontdekt en daarom zijn uitspraak eigener beweging ongedaan maakt.
Een vervallenverklaring kan alleen in zeer bijzondere gevallen en als er geen wettelijke oplossing is. Deze buitenwettelijke beslissing dient niet om gebreken in de motivering van de uitspraak naar aanleiding van een schriftelijke reactie van één der partijen te repareren, maar uitsluitend tot herstel van een ernstige, niet voor rectificatie vatbare fout van de rechter die niet door het instellen van enig rechtsmiddel kan worden ondervangen. Van deze situatie is in dit geval geen sprake. De omstandigheid dat bij verzoekers gelet op het tijdsverloop tussen het indienen van het wrakingsverzoek en de uitspraak op dat verzoek en/of handelingen of uitlatingen van medewerkers van de griffie de indruk is ontstaan dat het verzoek inhoudelijk zou worden behandeld (naar aanleiding van de later ingediende gronden van het wrakingsverzoek), kan – wat daarvan verder ook zij – niet als een aperte misslag in de hiervoor bedoelde zin worden aangemerkt.
2.2.
Het door verzoekers gedane bewijsaanbod – in de vorm van indiening van een kopie opname telefonische gesprekken van een medewerker van de wrakingskamer – zal reeds gelet op deze uitkomst als niet ter zake dienend verworpen worden.
2.3.
Het verzoek tot vervallenverklaring wordt dan ook afgewezen. De wrakingskamer heeft in dit geval bij wijze van uitzondering aanleiding gezien deze (afwijzende) beslissing in een uitspraak vast te leggen.
Nieuw wrakingsverzoek
2.4.
In artikel 8:16, vierde lid, van de Awb is bepaald dat een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter niet in wordt behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
In artikel 4, tweede lid, aanhef en onder f, van het Wrakingsprotocol rechtbank Limburg is bepaald dat de wrakingskamer het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond of niet-ontvankelijk kan verklaren indien het een volgend verzoek ten aanzien van eenzelfde rechter betreft, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2.5.
De wrakingskamer stelt vast dat verzoekers aan hun verzoek van 15 januari 2023 geen nieuwe, (het handelen van) de rechter betreffende, feiten of omstandigheden ten grondslag hebben gelegd. Het verzoek is er kennelijk op gericht om alsnog een oordeel van de wrakingskamer te verkrijgen omtrent de gronden die – te laat – aan het wrakingsverzoek van 7 december 2022 ten grondslag zijn gelegd. Daar is het middel van wraking niet voor bedoeld. Gesteld noch gebleken is dat de rechter sedert het indienen van het eerste wrakingsverzoek nog enige handeling in de zaken ROE 21/546, ROE 21/1197 en ROE 21/1626 heeft verricht, laat staan handelingen die tot gegrondverklaring van het wrakingsverzoek zouden kunnen leiden.
2.6.
De conclusie is dan ook dat het nieuwe wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is.
Wrakingsverbod
2.7.
Omdat door verzoekers het middel van wraking lichtvaardig, want zonder enige grondslag is ingezet, is naar het oordeel van de wrakingskamer sprake van misbruik van recht. Zij zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter belast met de behandeling van de zaaknummers ROE 21/546, ROE 21/1197 en ROE 21/1626 niet in behandeling wordt genomen.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
- verklaart dat er geen aanleiding is om de uitspraak van 13 januari 2023 vervallen te verklaren;
- verklaart het verzoek tot wraking van de rechter niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in de zaken ROE 21/546, ROE 21/1197 en ROE 21/1626 niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, mr. R.M.M. Kleijkers en mr. Y.J.C.A. Roeffen, bijgestaan door mr. N. Ouarani, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt op 10 februari 2023.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.