3.3Het oordeel van de rechtbank
Uit het dossier blijkt dat op 1 februari 2020 omstreeks 19.30 uur een overval werd gepleegd op de supermarkt Jumbo, gelegen aan de Bremstraat te Sittard. De twee daders hebben drie kassamedewerksters onder bedreiging van messen gedwongen twee kassa’s te openen, waarna zij een geldbedrag van in totaal € 3.804,63 uit de kassalades hebben kunnen wegnemen. Tijdens de overval liet een klant, die op het punt stond om bij een van de betreffende kassa’s af te rekenen, uit schrik haar portemonnee vallen en rende de winkel in. Uit de camerabeelden blijkt dat deze portemonnee eveneens door een van de daders is weggenomen. De daders zijn uiteindelijk naar buiten gerend.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte medepleger van deze overval is. De verdachte ontkent betrokkenheid bij het feit.
De strafrechtelijke betrokkenheid van de verdachte volgt volgens de officier van justitie in het strafdossier vooral uit de verklaringen van getuigen [naam 1] en [naam 2] . Anders dan de officier van justitie vindt de rechtbank de verschillende verklaringen van deze getuigen echter op cruciale onderdelen te wisselend waardoor deze aan geloofwaardigheid inboeten.
Zo heeft [naam 2] op 12 februari 2020 verklaard dat zij op 10 februari 2020 bij haar vriendin (later bleek dit getuige [naam 1] te zijn) thuis was toen [naam 3] en een voor haar onbekende jongen ook langskwamen. De voor haar onbekende jongen bleek later de verdachte te zijn. Hij zou tijdens het bezoek op 10 februari 2020 hebben verteld dat hij een klapper van € 1.000,- had gemaakt bij de Jumbo en dat hij [naam 1] een gedeelte van het geld wilde geven. Later, tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris op 4 juni 2021, heeft [naam 2] verklaard dat geen geld aan [naam 1] of aan haarzelf is aangeboden.
Ook over de avond van 10 februari 2020 heeft [naam 2] wisselend verklaard. Op 12 februari 2020 heeft [naam 2] verklaard dat zij op enig moment naar huis is gegaan omdat de kinderen moesten eten, en dat de verdachte haar blijkbaar naar haar woning was gevolgd, plotseling aan haar deur stond en dat zij hierop de politie heeft gebeld. Op 13 februari 2020 heeft zij daarentegen verklaard dat zij weet dat de verdachte, waarvan zij eerder verklaarde dat zij hem niet kende, ook wel ‘ [bijnaam] ’ wordt genoemd, dat [naam 3] en de verdachte in de woning van [naam 1] ruzie hadden gekregen, dat [naam 3] de woning had verlaten en dat [naam 2] , [naam 1] en de verdachte uiteindelijk samen naar de woning van [naam 2] zijn gegaan.
In tegenstelling tot hetgeen [naam 2] heeft verklaard, heeft [naam 1] op 13 februari 2020 verklaard dat [naam 2] op 10 februari 2020 bij haar op bezoek was toen [naam 3] en de verdachte naar haar woning waren gekomen. [naam 3] verliet op enig moment de woning. Na het vertrek van [naam 3] zou de verdachte spontaan hebben verteld dat hij een klapper en een ‘trorie’
(naar de rechtbank begrijpt: “torie”, straattaal voor: een klus geklaard of iets gedaan)had gedaan en dat hij daarbij geld had verdiend. Desgevraagd had de verdachte bevestigd dat het bij de Jumbo Sanderbout was geweest. Daarna werd de verdachte lastig en agressief. [naam 1] heeft de verdachte enkele klappen verkocht en heeft hem vervolgens samen met [naam 2] de woning uit gewerkt.
Bij de waardering van deze getuigenverklaring heeft de rechtbank voorts acht geslagen op het feit dat uit onderzoek is komen vast te staan dat [naam 1] kort na de overval, te weten op 2 februari 2020 om 00.31 uur, om 00.51 uur en om 04.10 uur telefonisch contact heeft gehad met het telefoonnummer [nummer] , volgens CIOT-bevraging geregistreerd op naam van [naam 4] . Van [naam 4] is bekend dat hij eerder is veroordeeld voor een overval op de Plus aan de Clavecymbelstraat te Maastricht op 19 maart 2019, waarvan de politie heeft aangegeven dat de modus operandi overeenkomsten vertoont met de bij de Jumbo op 1 februari 2020 gepleegde overval. [naam 4] is in het onderhavige dossier ook enige tijd door de politie als verdachte aangemerkt. Het feit dat [naam 1] kort na de overval midden in de nacht meermaals contact heeft gehad met [naam 4] , heeft bij de rechtbank de vraag doen rijzen of zij (en daarmee wellicht ook haar vriendin [naam 2] ) een reden zouden kunnen hebben om de verdachte te belasten.
Gelet op deze wisselende, inconsistente en belastende verklaringen van [naam 2] en [naam 1] , en het gegeven dat op basis van de stukken in het dossier niet valt uit te sluiten dat de getuigen bij het afleggen van hun verklaringen mogelijk een ander belang dan de waarheidsvinding voor ogen heeft gestaan, zal de rechtbank voornoemde verklaringen dan ook als onvoldoende betrouwbaar ter zijde schuiven.
Om de betrokkenheid van de verdachte bij de overval en de diefstal van de portemonnee vast te kunnen stellen dienen in het strafdossier voldoende andere bewijsmiddelen aanwezig te zijn.
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de signalementen en de zendmastgegevens niet redengevend zijn voor een bewezenverklaring en dat van het telefoongesprek, gevoerd door de verdachte vanuit de PI op 11 juni 2020, bezwaarlijk gezegd kan worden dat dit wel móet zien de gepleegde overval bij de Jumbo op 1 februari 2020, zodat de rechtbank ook dit gesprek niet zal meenemen voor het bewijs.
Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt het aan voldoende wettig en overtuigend bewijs en is aldus geen sprake van een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid dat de verdachte medepleger is van de overval en de diefstal van de portemonnee.
Naar het oordeel van de rechter zijn alle ten laste gelegde feiten dan ook niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt integraal vrijgesproken.