ECLI:NL:RBLIM:2022:8577

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 november 2022
Publicatiedatum
3 november 2022
Zaaknummer
03.279723.19
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verduistering in dienstbetrekking door een statutair bestuurder van een vennootschap

Op 3 november 2022 heeft de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die als statutair bestuurder van een vennootschap werd beschuldigd van verduistering en witwassen. De verdachte, geboren in 1962 en woonachtig in Roermond, werd bijgestaan door mr. P.B.A. Acda. De zaak werd inhoudelijk behandeld op de zittingen van 13, 14, 19 en 20 oktober 2022. De tenlastelegging omvatte verduistering van een bedrag van € 461.969,01 en witwassen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte in de periode van 23 januari 2012 tot en met 5 februari 2018 bij herhaling geld heeft verduisterd van de vennootschap waarvan hij bestuurder was. De verdachte incasseerde omzetprovisies en contante betalingen voor werkzaamheden die door de vennootschap waren verricht, maar hield deze bedragen voor zichzelf. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte zich in totaal € 285.406,67 heeft toegeëigend, maar sprak hem vrij van het verwijt van witwassen, omdat niet was komen vast te staan dat hij verhullende handelingen had gepleegd. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 15 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en veroordeelde de verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij, de vennootschap, van € 285.406,67, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 03.279723.19
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.
d.
3 november 2022
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 1962 ,
wonende te [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. P.B.A. Acda, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 13, 14, 19 en 20 oktober 2022. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
In de zaak heeft zich [benadeelde partij 1] gevoegd als benadeelde partij, vertegenwoordigd door de curator. Namens de benadeelde partij is mr. I. Mol verschenen, die de vordering tot schadevergoeding heeft toegelicht.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt erop neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering (feit 1) en witwassen (feit 2).

3.De voorvragen

De tenlastelegging bevat het verwijt van verduistering en witwassen van een bedrag van € 461.969,01. Dit bedrag is niet nader in de tenlastelegging gespecificeerd, terwijl in het dossier melding wordt gemaakt van een groot aantal mogelijk strafbare gedragingen van de verdachte. Uit het requisitoir blijkt dat de officier van justitie heeft bedoeld de volgende specifieke posten ten laste te leggen:
  • [benadeelde partij 2] ;
  • [benadeelde partij 3]
  • [benadeelde partij 4]
  • [benadeelde partij 5] ;
  • [benadeelde partij 6] ;
  • [benadeelde partij 7] ;
  • [benadeelde partij 8] ;
  • [benadeelde partij 9] ;
  • [benadeelde partij 10] ;
  • [benadeelde partij 11]
  • [benadeelde partij 12]
  • [benadeelde partij 13]
  • [benadeelde partij 14] ;
  • [benadeelde partij 15] ;
  • [benadeelde partij 16] .
  • [benadeelde partij 17]
Overige transacties die in het dossier zijn vermeld moeten worden geacht buiten het bereik van de tenlastelegging te vallen en worden daarom in dit vonnis niet verder besproken.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte in de periode van 23 januari 2012 tot en met 5 februari 2018 bij herhaling geld verduisterd heeft van [benadeelde partij 1] , de vennootschap waarvan hij statutair bestuurder was (hierna: [benadeelde partij 1] ). De verdachte incasseerde omzetprovisies van leveranciers en contante en girale betalingen voor werkzaamheden die door [benadeelde partij 1] zijn verricht. Deze bedragen had hij aan [benadeelde partij 1] toe moeten laten komen, maar het geld is in zijn vermogen achtergebleven.
Het gaat volgens de officier van justitie in totaal om een bedrag van € 389.721,76, te weten alle tenlastegelegde posten met uitzondering van de post [benadeelde partij 2] . Deze gelden heeft de verdachte ook witgewassen door valse facturen op te maken (het verhullen van verduisterde gelden) en door het geld volledig te gebruiken door privé-uitgaven (overdragen, gebruiken en omzetten van verduisterde gelden). Dit is zo lang en vaak gebeurd, dat het gewoontewitwassen oplevert.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar voren gebracht dat bewezen kan worden dat de verdachte zichzelf in totaal een bedrag van € 104.515,- heeft toegeëigend, terwijl hij het aan [benadeelde partij 1] toe had moeten laten komen. Dit betreft de contante betalingen aan [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] . De verdachte heeft dit toegegeven en verduistering kan dus bewezen worden verklaard, maar niet tot het bedrag dat de officier van justitie heeft genoemd. Van witwassen van verduisterd geld is volgens de raadsman geen sprake.
De verdachte moet worden vrijgesproken van het verduisteren van de andere bedragen. Een deel van de betalingen kwam niet toe aan [benadeelde partij 1] , omdat de betreffende werkzaamheden door (een vennootschap van) de verdachte zijn verricht. Voor wat betreft de overige betalingen had de verdachte toestemming van de vertegenwoordiger van de enig aandeelhouder van [benadeelde partij 1] (een andere besloten vennootschap) om zijn maandelijkse salaris aan te vullen. Die toestemming stond niet zwart op wit, maar het was wel zo afgesproken of anders heeft de persoon achter deze aandeelhouder geweten van de extraatjes en die toegelaten.
4.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
Inleiding
De rechtbank moet beoordelen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering en witwassen en zo ja, om hoeveel geld dit dan gaat.
De verdachte was met ingang van 23 januari 2012 in dienst bij [benadeelde partij 1] , gevestigd te Roermond, als (enig) statutair bestuurder van de vennootschap. De verdachte ontving maandelijks salaris.
Op 5 februari 2018 werd de verdachte geschorst als bestuurder van de vennootschap en met ingang van 21 februari 2018 werd het dienstverband van de verdachte bij [benadeelde partij 1] beëindigd. [2]
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in zijn hoedanigheid van directeur van [benadeelde partij 1] bij herhaling contant geld heeft aangenomen van klanten van [benadeelde partij 1] . [benadeelde partij 1] had werkzaamheden verricht voor die klanten. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat het geld aan [benadeelde partij 1] toekwam, maar dat hij het voor zichzelf heeft gehouden. Omdat de raadsman geen bewijsverweer ten aanzien van deze betalingen heeft gevoerd, kan de rechtbank ten aanzien van die betalingen volstaan met een korte weergave van de wettige bewijsmiddelen, (overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering).
Ten aanzien van andere bedragen zal de rechtbank de verdere inhoud van het bewijs weergeven en daarna motiveren waarom zij ook die bedragen als verduisterd beschouwt. De rechtbank zal een hoger bedrag bewezen verklaren dan de verdediging bewijsbaar acht, maar een lager bedrag dan de officier van justitie heeft genoemd.
De rechtbank komt tot vrijspraak van feit 2. Ten behoeve van de leesbaarheid, komen de (partiële) vrijspraken in dit vonnis aan de orde na de bespreking van het bewijs.
De contante betalingen die bewezen kunnen worden verklaard
Casus [benadeelde partij 3]
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich € 51.315,- wederrechtelijk heeft toegeëigend dat toebehoorde aan [benadeelde partij 1] , gelet op:
  • de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting;
  • de verklaring van [benadeelde partij 3] ;
Casus [benadeelde partij 4]
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich € 28.000,- wederrechtelijk heeft toegeëigend dat toebehoorde aan [benadeelde partij 1] , gelet op:
  • de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting;
  • de verklaring van [benadeelde partij 4] ;
Casus [benadeelde partij 5]
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich € 15.000,- wederrechtelijk heeft toegeëigend dat toebehoorde aan [benadeelde partij 1] , gelet op:
  • de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting;
  • de verklaring van [benadeelde partij 5] ;
Casus [benadeelde partij 8]
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich € 8.000,- wederrechtelijk heeft toegeëigend dat toebehoorde aan [benadeelde partij 1] , gelet op:
  • de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting;
  • de verklaring van [benadeelde partij 8] ;
Casus [benadeelde partij 9]
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich € 2.200,- wederrechtelijk heeft toegeëigend dat toebehoorde aan [benadeelde partij 1] , gelet op:
  • de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting;
  • de verklaring van [benadeelde partij 9] .
Casus [benadeelde partij 10]
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte € 1.500,- heeft ontvangen van een persoon genaamd [benadeelde partij 10] . De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij voornoemd bedrag ontvangen heeft van [benadeelde partij 10] . De verdachte heeft dat geld opgehaald en het geld is bij hem gebleven.
In het dossier bevindt zich bij de aangifte een geschrift met opschrift “Beste [naam 1] hierbij de antwoorden als gevraagd in jou memo 12 okt 2017” [8] , waarover de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat dit geschrift van zijn hand is. Dit geschrift, waarin het betreffende bedrag als privé-onttrekking is aangemerkt, is door de aangever namens [benadeelde partij 1] bij de aangifte gevoegd, waarin aangever verklaard heeft dat de verdachte tijdens zijn dienstverband geld van klanten, onder wie [benadeelde partij 10] , contant heeft geïncasseerd, terwijl dat geld toebehoorde aan [benadeelde partij 1] . [9]
Casus [benadeelde partij 7]
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte € 5.000,- heeft ontvangen van een persoon genaamd [benadeelde partij 7] . De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij € 5.000,- contant ontvangen heeft [benadeelde partij 7] . [benadeelde partij 7] is bij de verdachte op kantoor gekomen en heeft een openstaand bedrag van € 5.000,- contant betaald. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij dit geld in de la heeft gelegd en niet heeft laten verwerken in de administratie van [benadeelde partij 1] .
In het dossier bevindt zich bij de aangifte een geschrift met opschrift “Beste [naam 1] hierbij de antwoorden als gevraagd in jou memo 12 okt 2017” [10] , waarover de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat dit geschrift van zijn hand is. Dit geschrift, waarin de verdachte een bedrag afkomstig van [benadeelde partij 7] opgeeft als privé-onttrekking, is door de aangever namens [benadeelde partij 1] bij de aangifte gevoegd, waarin aangever verklaard heeft dat de verdachte tijdens zijn dienstverband geld van klanten, onder wie [benadeelde partij 7] , contant heeft geïncasseerd, terwijl dat geld toebehoorde aan [benadeelde partij 1] . [11] Het geschrift vermeldt weliswaar een bedrag van € 10.000,- als 'onttrekking privé', maar de rechtbank kan niet vaststellen dat meer is verduisterd dan het bedrag waarover de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard.
De betalingen die op de bankrekeningen van de verdachte zijn binnengekomen en bewezen kunnen worden verklaard
Casus [benadeelde partij 11]
Op de privébankrekening van de verdachte is in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 19 januari 2018 in totaal een bedrag van € 92.466,63 bijgeschreven, overgemaakt door [benadeelde partij 11] . en [benadeelde partij 11] , leveranciers van [benadeelde partij 1] . Dit betrof 14 betalingen van bonussen. De creditfacturen die door deze leveranciers zijn opgemaakt, vermelden [benadeelde partij 1] als begunstigde en de verdachte als contactpersoon. [12] , [13]
De getuige [naam 2] heeft verklaard dat het bonussen betrof voor de omzet die zijn onderneming maakte dankzij leveranties aan [benadeelde partij 1] . Door zijn zwager was met de verdachte afgesproken dat de bonussen naar het privé bankrekeningnummer van de verdachte werden overgemaakt. De getuige [naam 2] viel op dat dit rekeningnummer een ander nummer was dan dat van [benadeelde partij 1] en heeft de verdachte hierop aangesproken. De verdachte heeft tegen de getuige gezegd dat de (indirect) enig aandeelhouder van [benadeelde partij 1] ervan wist, maar deze persoon heeft de getuige achteraf juist verweten dat die hem er niets over heeft gezegd. [14]
Casus [benadeelde partij 13]
Op de privébankrekening van de verdachte is in de periode van 6 mei 2014 tot en met 7 december 2017 in totaal een bedrag van € 44.262,08 bijgeschreven, overgemaakt door [benadeelde partij 13] , een leverancier van [benadeelde partij 1] . Dit betrof 8 betalingen van omzetbonussen. [15] De creditfacturen van dit bedrijf waren gericht aan [benadeelde partij 1] , maar het geld werd overgemaakt naar de privérekening van de verdachte. [16]
De getuige [naam 3] heeft verklaard dat [benadeelde partij 13] een zakelijke relatie had met [benadeelde partij 1] . In het kader van verschillende projecten en door personeel van [benadeelde partij 1] bij [benadeelde partij 13] afgenomen materialen stuurde [benadeelde partij 13] facturen naar [benadeelde partij 1] met brutobedragen. Vervolgens werd het verschil tussen de bruto- en nettobedragen in de vorm van omzetprovisie uitgekeerd. Dat bedrag werd naar de bankrekening van de verdachte overgemaakt, omdat de verdachte dat zo wilde hebben. Volgens de getuige was dit de enige klant bij wie dit zo liep. [17]
Casus [benadeelde partij 14]
Op de privébankrekening van de verdachte is in de periode van 23 januari 2015 tot en met 25 januari 2018 in totaal een bedrag van € 7.135,68 bijgeschreven, overgemaakt door [benadeelde partij 14] (ook aangeduid met: [benadeelde partij 14] ). Dit betrof 4 betalingen. [18]
De creditfacturen vermelden dat het omzetbonussen betrof. [19] De getuige [naam 4] heeft verklaard dat [benadeelde partij 1] een klant was van [benadeelde partij 14] en dat bij een bepaald bedrag aan omzet een bonus werd betaald. De bonussen van [benadeelde partij 1] gingen in het verleden direct naar de bankrekening van [benadeelde partij 1] , maar de verdachte heeft aangegeven dat de bonussen naar het privé rekeningnummer moesten waarnaar de bonusbedragen feitelijk zijn overgeboekt. [20]
Casus [benadeelde partij 15]
Op de privébankrekening van de verdachte is in de periode van 8 november 2016 tot en met 24 januari 2017 in totaal een bedrag van € 28.100,- bijgeschreven, overgemaakt door een persoon genaamd [naam 5] . Dit betrof 4 betalingen. [21] Deze persoon is als getuige gehoord en heeft verklaard dat deze betalingen betrekking hadden op bouwwerkzaamheden die door [benadeelde partij 1] zijn verricht aan zijn woning. [22]
Casus [benadeelde partij 17]
Op de privébankrekening van de verdachte is op 13 mei 2014 een bedrag van € 2.427,28 bijgeschreven, overgemaakt door [benadeelde partij 17] . [23] De creditfactuur betreffende een toestelkorting was gericht aan [benadeelde partij 1] . [24]
Door de getuige [naam 6] is verklaard dat de creditfactuur betrekking had op een toestelkorting voor [benadeelde partij 1] . De getuige heeft verder verklaard dat - naar hij dacht - de verdachte gezegd heeft naar welk rekeningnummer het geld moest worden overgemaakt. [25]
Bewijsoverwegingen en conclusies van de rechtbank ten aanzien van het bewijs
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte contant geld heeft ontvangen en dat geld met opzet heeft achtergehouden, waar dat aan [benadeelde partij 1] had moeten toekomen. Het gaat om een bedrag van in totaal € 111.015,-. Dat is een hoger bedrag dan de raadsman heeft genoemd, maar de rechtbank concludeert dat er ook ten aanzien van de contante betalingen door [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 10] voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich opzettelijk deze bedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend. Dat baseert de rechtbank op de inhoud van de hiervoor weergegeven verklaring van de verdachte ter terechtzitting ten aanzien van deze posten en het document in het dossier dat is opgesteld door de verdachte, waarin de verdachte reageerde op diverse malversaties die hem verweten werden door de aangever.
Ten aanzien van de girale betalingen overweegt de rechtbank als volgt. Uit het bewijs volgt dat de verdachte op zijn initiatief betalingen op zijn privérekening heeft laten doen voor bonussen/provisies en een korting op een telefoontoestel en dat hij vervolgens opzettelijk die betalingen heeft achtergehouden, terwijl die in het vermogen van [benadeelde partij 1] terecht hadden moeten komen. Ook zijn bouwwerkzaamheden die [benadeelde partij 1] had verricht rechtstreeks betaald aan de verdachte, zonder dat hij deze betalingen heeft doen toekomen aan [benadeelde partij 1] . Het gaat dan om een bedrag van € 171.964,39.
De verdachte heeft het geld ontvangen in zijn hoedanigheid van algemeen directeur van [benadeelde partij 1] . De schriftelijke arbeidsovereenkomst geeft de verdachte uitsluitend aanspraak op een vast loon, maar bevat verder geen bepaling die hem recht geeft op de betalingen waar deze zaak over gaat. De verdachte heeft dit geld vervolgens toch willens en wetens -en dus opzettelijk- voor zichzelf gehouden. Dat alles levert het misdrijf verduistering in dienstbetrekking op.
Door de raadsman en de verdachte is naar voren gebracht dat deze betalingen hebben plaatsgevonden met mondelinge toestemming en medeweten van de getuige [naam 7] , de persoon die bestuurder en enig aandeelhouder was van de vennootschap die alle aandelen hield in [benadeelde partij 1] en bovendien beweerdelijk feitelijk leiding zou geven aan [benadeelde partij 1] . De verdachte, zo vat de rechtbank het samen, stelt dat de aangever, de getuige [naam 7] en anderen, zoals accountants, op zijn minst boter op het hoofd hebben gehad en nu proberen hun eigen straatje schoon te vegen.
Noch daargelaten of en zo ja, tot welk rechtsgevolg dit verweer zou moeten leiden, geldt dat deze lezing niet aannemelijk is geworden. Volgens de verdachte is over deze betalingen gesproken tijdens de zogeheten “maandagochtendoverleggen” tussen verdachte, getuige [naam 7] en de beide getuigen die als hoofd administratie bij die overleggen aanwezig zijn geweest. Al deze getuigen zijn ter zitting gehoord en hebben verklaard dat dergelijke betalingen of ontvangsten nimmer ter sprake zijn gekomen. De getuige [naam 7] heeft bovendien nadrukkelijk betwist dat hij heeft ingestemd met wat de verdachte “extraatjes” noemt. Ook anderszins is dit niet aannemelijk geworden. Er zijn geen notulen van genoemde maandagochtendoverleggen of schriftelijk vastlegging van dergelijke afspraken voor handen, en de ontvangsten zijn ook niet in de administratie van [benadeelde partij 1] verwerkt, terwijl de extraatjes gelijk zijn aan, of zelfs uitstijgen boven, het jaarsalaris dat verdachte ontving. Getuige [naam 7] heeft er bovendien op gewezen dat de vennootschap gedurende langere tijd verlieslatend was en dat er daarom ook geen enkele reden was voor het uitkeren van bonussen. Dat de getuige [naam 7] als (indirect) aandeelhouder regelmatig financiële informatie ontving over de stand van zaken binnen de onderneming van [benadeelde partij 1] en dat op enig moment ook financiële gegevens van de verdachte (dan wel van [naam bedrijf] , een vennootschap waarvan verdachte enig aandeelhouder en bestuurder was) met hem zijn gedeeld via e-mail maakt niet dat hij wetenschap zou hebben gehad van of ingestemd zou hebben met de door verdachte toegeëigende bedragen. Van een dergelijke wetenschap of instemming door getuige [naam 7] is niet gebleken. Bovendien zou dat het wederrechtelijke karakter van het handelen van de verdachte niet (zonder meer) teniet doen.
De rechtbank komt derhalve tot een bewezenverklaring. De verdachte heeft in zijn hoedanigheid van directeur van [benadeelde partij 1] een bedrag van € 285.406,67 verduisterd.
De vrijspraken ten aanzien van feit 1
Casus [benadeelde partij 2]
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat deze klant van [benadeelde partij 1] contant geld aan de verdachte heeft betaald, zodat de verdachte, nu deze post (met een bedrag van € 72.247,34) onderdeel heeft uitgemaakt van het ten laste gelegde totaalbedrag op de tenlastelegging, hiervan moet worden vrijgesproken.
Casus [benadeelde partij 6]
De rechtbank kan op basis van het bewijs in het dossier niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de verdachte contant geld heeft aangenomen van een persoon genaamd [benadeelde partij 6] . Per saldo bevat het dossier alleen diens verklaring dat hij aan de verdachte betaald heeft voor werkzaamheden van [benadeelde partij 1] , maar in die verklaring worden geen concrete bedragen of betalingen gespecificeerd en de inhoud van deze verklaring vindt geen steun in andere verklaringen of geschriften. Bij gebrek daaraan moet de verdachte worden vrijgesproken.
Casus [benadeelde partij 12]
Door de onderneming [benadeelde partij 12] is in totaal € 52.415,- overgemaakt naar de privérekening van de verdachte. De verdachte heeft aangevoerd dat deze betalingen geheel los staan van enige werkzaamheid van [benadeelde partij 1] . In het dossier staan facturen vermeld op naam van een vennootschap van de verdachte genaamd [naam bedrijf] . Opvallend is dat een aanzienlijk deel van die betalingen hebben plaatsgevonden na de liquidatie van deze vennootschap. Ook vermeldt één factuur de naam van een volgens verdachte niet bestaande onderneming. Dat roept allerlei vragen op, maar dat maakt nog niet dat daarom vastgesteld kan worden dat de betalingen in het vermogen van [benadeelde partij 1] of een nader aan te duiden ander dan de verdachte terecht hadden moeten komen. Ook uit de aangifte namens [benadeelde partij 1] en uit de verklaring van [benadeelde partij 12] volgt niet dat dit geld aan [benadeelde partij 1] moet hebben toegekomen. Bij gebrek aan bewijs moet de verdachte dan ook van dit verwijt, dat onderdeel heeft uitgemaakt van het ten laste gelegde totaalbedrag op de tenlastelegging, worden vrijgesproken.
Casus [benadeelde partij 16]
Door de onderneming [benadeelde partij 16] is in totaal € 36.900,- overgemaakt naar de privérekening van de verdachte. De verdachte heeft aangevoerd dat deze betalingen geheel los staan van enige werkzaamheid van [benadeelde partij 1] . In het dossier staan facturen vermeld op naam van een andere onderneming van de verdachte, [naam bedrijf] , die corresponderen met de betalingen door [benadeelde partij 16] . Opvallend is ook dat één van die facturen dateert van na de liquidatie van de onderneming [naam bedrijf] . Dat maakt echter nog niet dat daarom vastgesteld kan worden dat de betalingen in het vermogen van [benadeelde partij 1] of een ander dan de verdachte terecht hadden moeten komen. Bij gebrek aan bewijs moet de verdachte dan ook van dit verwijt, dat onderdeel heeft uitgemaakt van het ten laste gelegde totaalbedrag op de tenlastelegging, worden vrijgesproken.
De vrijspraak ten aanzien van feit 2, het verwijt van gewoonte witwassen
Uit het gegeven dat in de tenlastelegging en het requisitoir ten aanzien van de verduistering en de witwasverdenking identieke bedragen zijn aangevoerd concludeert de rechtbank dat de verdachte ervan wordt beschuldigd dat hij (slechts) het verduisterde geld heeft witgewassen (in de variant zoals bedoeld in artikel 420bis Sr). Daarvan kan enkel sprake zijn indien hij ná de verduistering nog enige verhullende handeling heeft gepleegd. [26]
De rechtbank kan echter geen handelingen van de verdachte aanwijzen die als verhullend dienen te worden beschouwd. Ten aanzien van de bewezen verklaarde betalingen is – anders dan de officier van justitie kennelijk betoogt - niet vast komen te staan dat de verdachte valse facturen heeft opgemaakt nádat duidelijk was dat het geld nimmer aan [benadeelde partij 1] zou worden doorbetaald, met het oogmerk om de criminele herkomst dan vervolgens door middel daarvan te verhullen. Ook andere verhullende handelingen kan de rechtbank niet aanwijzen. Zo bevat het dossier geen overzicht van geldstromen die eerst zijn verduisterd en toen contant zijn gemaakt om deze aan het zicht te onttrekken, maar daarentegen juist een optelsom van girale uitgaven aan vaste lasten en consumptieve bestedingen. Daarmee heeft de verdachte de criminele herkomst van het geld evenmin verhuld. De rechtbank zal de verdachte dan ook van feit 2 vrijspreken.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Feit 1
op meer tijdstippen in de periode van 23 januari 2012 tot en met 25 januari 2018 in Nederland opzettelijk een bedrag aan (giraal) geld (te weten 285.406,67 euro), dat toebehoorde aan [benadeelde partij 1] , en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als enig bestuurder en/of als algemeen directeur van [benadeelde partij 1] onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
Feit 1
verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7.De straf en/of de maatregel

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd van 24 maanden.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de door hem gevoerde bewijsverweren, met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak bij de rechtbank zou moeten zijn afgerond met een eindoordeel en met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De raadsman heeft de rechtbank verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Omdat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie, zal de rechtbank in elk geval minder straf opleggen dan gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank heeft immers een lager fraudebedrag vastgesteld (niet € 389.721,76 maar € 285.406,67 en dus ruim een kwart minder) en spreekt de verdachte vrij van het verwijt van witwassen.
De ernst van het bewezenverklaarde feit
De verdachte heeft jarenlang geld verduisterd dat ten goede had moeten komen aan de bouwonderneming waarvoor hij werkte. In totaal is [benadeelde partij 1] voor een bedrag van € 285.406,67 benadeeld. Uit het onderzoek ter terechtzitting volgt ook dat de onderneming gedurende het dienstverband van de verdachte wel in toenemende mate omzet maakte, maar de onderneming was, simpel gezegd, niet of nauwelijks winstgevend. De verdachte verrijkte zichzelf ondertussen ten koste van die onderneming.
De verdachte meende recht te hebben op een aanvulling op zijn – ruim bovenmodale - salaris, dat naar eigen zeggen niet marktconform was. In een periode van zes jaar heeft hij zijn nettoloon bijna verdubbeld door misdrijven te plegen. Met dit extra geld heeft hij niet zijn (belasting)schulden afgelost, maar onder meer kleding en dure reizen betaald om te voorzien in zijn luxe levensstijl en – zoals hij zelf zegt – te ontsnappen aan de stress van zijn werk. Dat alles heeft de verdachte tegen beter weten in gedaan en dat verwijt de rechtbank hem, omdat het op geen enkele manier te vergoelijken valt.
Welke straf past bij de ernst van het bewezenverklaarde strafbare feit?
Fraude is een delict dat het economische verkeer en het vertrouwen daarin ondermijnt en het belang van een juiste normhandhaving brengt mee dat daarop met een substantiële sanctie moet worden gereageerd.
De strafrechtspraak gaat met het Openbaar Ministerie uit van onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op de ernst van het strafbare feit. Fraude wordt al geruime tijd niet zo maar afgedaan met een taakstraf, uitzonderlijke gevallen daargelaten. De oriëntatiepunten voor de straftoemeting die in de strafrechtspraak gehanteerd worden, gaan uit van een onvoorwaardelijke straf van 12 tot 18 maanden bij een fraudebedrag tussen de € 250.000,- en € 500.000,-. Dit is weliswaar geen norm voor een minimumstraf, maar wel een belangrijk beginpunt van denken over een passende straf.
De rechtbank kan geen factoren aanwijzen die maken dat substantieel van dit oriëntatiepunt moet worden afgeweken. Voor meer verdachten geldt dat zij door detentie in hun persoonlijke leven fors geraakt worden. Ook komt het vaker voor dat een verdachte reputatieschade oploopt. Dat is nu eenmaal het gevolg van het strafbare gedrag van de verdachte. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en in zijn blanco strafblad ziet de rechtbank dan ook geen bijzonderheden die aanleiding zouden moeten zijn af te zien van onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Ook de termijn waarbinnen deze strafzaak in eerste aanleg is afgerond, leidt niet tot strafvermindering. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De verdachte is op 22 november 2019 ervan in kennis gesteld dat het Openbaar Ministerie voornemens was hem te vervolgen. De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In deze zaak zijn getuigen gehoord bij de rechter-commissaris op initiatief van zowel de officier van justitie als van de verdediging. Daarmee is de nodige tijd gemoeid. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank de mate van overschrijding van de redelijke termijn zodanig beperkt, dat wordt volstaan met de enkele constatering dat inbreuk is gemaakt op het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht.
De rechtbank zal een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, waarmee zij beoogt te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw strafbare feiten zal plegen. De verdachte heeft immers tientallen keren duizenden euro’s verduisterd om jarenlang een luxe leven te kunnen leiden dat hij zich normaal gesproken niet had kunnen permitteren, en uit de manier waarop hij daarover ter zitting heeft verklaard spreekt een zorgwekkend gebrek aan normbesef.
De rechtbank zal alles afwegend aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen van 15 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet.

8.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1
De vordering van de benadeelde partij
Namens [benadeelde partij 1] vordert de curator een schadevergoeding van € 640.736,57 ter zake van verduistering (feit 1). De vennootschap is inmiddels failliet en de curator vordert ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers in elk geval het door de rechtbank vast te stellen verduisterde bedrag van de verdachte.
De curator stelt ook dat de vennootschap meer schade heeft geleden, omdat gebleken is dat de verdachte na de beëindiging van zijn dienstverband bij [benadeelde partij 1] over een Belgische bankrekening beschikte waar geld op binnen is gekomen en weer opgenomen. Dat geld had vermoedelijk ook aan [benadeelde partij 1] moeten toekomen.
De curator heeft daarnaast gevorderd dat het toe te wijzen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente en heeft de rechtbank verzocht de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna aangeduid met: Sr) op te leggen.
8.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van oordeel dat de vordering slechts kan worden toegewezen tot het bedrag dat volgens haar bewijsbaar verduisterd is (€ 389.721,67). De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van het meergevorderde.
Het toe te wijzen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en aan de verdachte moet de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd van artikel 36f Sr.
8.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het vrijspraakverweer. Voor zover de verdachte heeft bekend, kan de vordering worden toegewezen. De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr niet zou moeten worden opgelegd aan de verdachte, omdat ervan uitgegaan kan worden dat een curator goed op de hoogte is van de wettelijke incassomogelijkheden en die effectief zal kunnen benutten. De vordering tot het vermeerderen van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente is onvoldoende onderbouwd en moet worden afgewezen.
8.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit en dus tot een bedrag van € 285.406,67. Dit is het bedrag dat aantoonbaar door de verdachte is verduisterd. De verdachte is civielrechtelijk aansprakelijk voor deze schade en de rechtbank zal hem veroordelen tot betaling aan de benadeelde partij van dit bedrag. Het toe te wijzen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de laatste verduistering op 25 januari 2018, tot aan de dag van volledige voldoening.
Ten aanzien van het meergevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij zal deze schade eventueel nog bij de civiele rechter kunnen vorderen.
De rechtbank ziet af van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr.
Ter terechtzitting is weliswaar nog aangevoerd namens de benadeelde partij dat de verdachte op dit moment nauwelijks verhaal biedt en dat de Staat mogelijk meer ten dienste staat om de toe te wijzen schadevergoeding te innen, maar daaraan kan ook tegemoet gekomen worden in het kader van de ontnemingsmaatregel.
De schadevergoedingsmaatregel is in het leven geroepen om slachtoffers het incassowerk uit handen te nemen, wanneer de veroordeelde niet uit zichzelf betaalt. Een natuurlijk persoon die slachtoffer is geworden van een misdrijf is, nog los van de emotionele belasting die het op kan leveren, doorgaans niet goed op de hoogte van alle wettelijke mogelijkheden om de schade te kunnen innen en niet iedereen kan de kosten daarvoor dragen. De Staat probeert dan het geld te innen.
In geval van een curator ligt dat anders. De curator mag verondersteld worden voldoende toegerust te zijn om de vordering te kunnen innen, zodat de Staat daar niet mee hoeft te worden belast. Bovendien zal de rechtbank de Staat in de ontnemingszaak belasten met het innen van het door [verdachte] wederrechtelijk genoten voordeel, zodat de curator zijn incassowerkzaamheden met betrekking tot de toe te wijzen vordering kan afstemmen met het Openbaar Ministerie. In de beslissing in de ontnemingszaak zal de rechtbank terugkomen op de relatie met de benadeelde partij.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 2;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde feit tot
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
Benadeelde partij
  • wijst de vordering van
  • veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.M.G. Rulkens, voorzitter, mr. W. Loof en mr. N.P.J. van de Pasch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 november 2022.
Buiten staat
Mr. W. Loof is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 mei 2011 tot en met 21 februari 2018 te Linne, gemeente Maasgouw, althans in Nederland, opzettelijk een groot bedrag aan (giraal) geld (te weten ongeveer 461.969,01 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als enig bestuurder en/of als algemeen directeur van [benadeelde partij 1] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft
toegeëigend;
(art. 322 Wetboek van Strafrecht, art. 322 Wetboek van Strafrecht)
( art. 321 Wetboek van Strafrecht, art. 322 Wetboek van Strafrecht)
2
hij in of omstreeks de periode van 24 mei 2011 tot en met 2 mei 2018, te Linne, gemeente Maasgouw, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, (telkens):
- ( van) een voorwerp, te weten 461.969,01 euro, in ieder geval enig(e) geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van
bovengenoemd(e) geldbedragen, en/of
- een voorwerp, te weten 461.969,01 euro, in ieder geval enig(e) geldbedrag(en), verworven en/of voorhanden gehad en/of overdragen en/of omgezet en/of van bovengenoemd(e) geldbedragen gebruik gemaakt,
terwijl hij, verdachte, wist dat bovengenoemd(e) geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren van enig misdrijf;
(art. 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art. 420ter lid 1 Wetboek van Strafrecht)
(art. 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art. 420ter lid 1Wetboek van Strafrecht)

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van Politie Districtsrecherche Noord- en Midden Limburg, Einddossier Onderzoek Argusvlinder/LB1R018042, gesloten d.d. 18 februari 2019 en aangevuld met een deel III, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 551.
2.Het geschrift bedrijfsuittreksel K.v.K, p. 101 en 102 en het geschrift arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, p. 285, het proces-verbaal aangifte p. 30 en het proces-verbaal Analyse Belastingdienstgegevens, p. 111.
3.Het proces-verbaal van de rechter-commissaris van het verhoor van de getuige [benadeelde partij 3] , p. 256.
4.Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [benadeelde partij 4] , p. 388.
5.Het proces-verbaal Aannemen contant geld [verdachte] van [benadeelde partij 5] , p. 395.
6.Het proces-verbaal Telefoongesprek [benadeelde partij 8] , p. 405.
7.Het proces-verbaal Telefoongesprek [benadeelde partij 9] , p. 407.
8.Het geschrift met opschrift Beste [naam 1] hierbij de antwoorden als gevraagd in jou memo 12 okt 2017, p. 38.
9.Het proces-verbaal aangifte, p. 30.
10.Het geschrift met opschrift Beste [naam 1] hierbij de antwoorden als gevraagd in jou memo 12 okt 2017, p. 38.
11.Het proces-verbaal aangifte, p. 30.
12.Het proces-verbaal Bankanalyse bankrekening [rekeningnummer] [naam 8] , p. 123.
13.De geschriften met opschrift [naam 2] , p. 88 t/m 99.
14.Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 2] , p. 217 en het proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris d.d. 17 november 2020, niet opgenomen in het doorgenummerde dossier, p. 3 van het proces-verbaal.
15.Het proces-verbaal Bankanalyse bankrekening [rekeningnummer] [naam 8] , p. 125.
16.Het proces-verbaal Ontvangen documenten [benadeelde partij 13] , p. 303.
17.Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 3] , p. 299 en 300.
18.Het proces-verbaal Bankanalyse bankrekening [rekeningnummer] [naam 8] , p. 125.
19.Het proces-verbaal Ontvangen documenten [benadeelde partij 14] . ( [benadeelde partij 14] ), p. 352.
20.Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 4] , p. 349 en 350.
21.Het proces-verbaal Bankanalyse bankrekening [rekeningnummer] [naam 8] , p. 125.
22.Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [benadeelde partij 15] , p. 344.
23.Het proces-verbaal Bankanalyse bankrekeningen ABN/AMRO [naam 8] , p. 118/119.
24.Het geschrift met opschrift [benadeelde partij 17] Telecommunicatie, p. 369.
25.Het proces-verbaal verhoor van de getuige [naam 6] , p. 365.
26.HR 2 maart 2021, HR:2016:2842.