Op 20 april 2022 overleed de erflaatster in de gemeente Echt-Susteren. Haar enig erfgename, verzoekster, ruimde de huurwoning op en beheerde de bankrekening waarop een belastingteruggave was gestort. Zij maakte een deel van dit bedrag over naar zichzelf en de partner van de erflaatster. Op 10 mei 2022 werd verzoekster door de gemeente geïnformeerd over een openstaande schuld van meer dan €55.000.
Verzoekster stelde primair dat zij de nalatenschap nooit zuiver had aanvaard en wilde deze verwerpen. De kantonrechter oordeelde echter dat de verrichte beschikkingshandelingen (overmaken van geld) duiden op zuivere aanvaarding, waardoor verwerping niet meer mogelijk was. Subsidiair verzocht verzoekster om machtiging tot beneficiaire aanvaarding op grond van artikel 4:194a lid 1 BW, omdat zij niet op de hoogte was van de schuld.
De kantonrechter stelde vast dat verzoekster tijdig en terecht het verzoek had ingediend binnen drie maanden na ontdekking van de schuld en dat zij niet bekend was met de vordering en dit ook niet behoorde te zijn. De machtiging tot beneficiaire aanvaarding werd daarom verleend, met de kanttekening dat de nalatenschap nog niet daadwerkelijk beneficiair is aanvaard totdat een verklaring bij de griffie wordt afgelegd.