ECLI:NL:RBLIM:2022:8038

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 oktober 2022
Publicatiedatum
18 oktober 2022
Zaaknummer
03/346463-21
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 67 Wetboek van StrafvorderingArt. 321 Wetboek van StrafrechtArt. 322 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen DNA-onderzoek bij veroordeelde wegens verduistering gegrond verklaard

De veroordeelde is op 29 juni 2022 door de politierechter veroordeeld wegens verduistering, een misdrijf waarvoor DNA-onderzoek doorgaans niet van belang wordt geacht. De veroordeelde maakte bezwaar tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

De rechtbank behandelde het bezwaar op 4 oktober 2022 en hoorde daarbij de advocaat van de veroordeelde en de officier van justitie. De wetgever heeft verduistering expliciet genoemd als een misdrijf waarbij DNA-onderzoek niet relevant is, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die anders doen vermoeden.

De rechtbank constateert dat de officier van justitie geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit aannemelijk is dat de veroordeelde zal recidiveren in een ander soort misdrijf waarbij DNA-onderzoek van belang is. Ook blijkt niet dat de veroordeelde eerder voor strafbare feiten is veroordeeld of een strafbeschikking heeft gekregen.

Op basis hiervan verklaart de rechtbank het bezwaar gegrond en beveelt dat het celmateriaal van de veroordeelde terstond wordt vernietigd. Hiermee wordt het belang van proportionaliteit en doelmatigheid in DNA-onderzoek gewaarborgd.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het DNA-onderzoek is gegrond verklaard en het celmateriaal van de veroordeelde moet worden vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Strafrecht
Zittingsplaats Maastricht
parketnummer : 03/346463-21
raadkamernummer : 22-019339
datum : 18 oktober 2022
Beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar overeenkomstig artikel 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. J. Engels advocaat kantoorhoudende te Venlo, (Postbus 708, 5900 AS Venlo), hierna te noemen: de veroordeelde.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 1 september 2022 ter griffie ingediend.
De rechtbank heeft op 4 oktober 2022 het bezwaar in raadkamer behandeld en daarbij de gemachtigde advocaat van de veroordeelde, mr. J. Engels, en de officier van justitie gehoord.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde omdat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
De wetgever heeft het misdrijf van verduistering expliciet genoemd als geval waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten.
De veroordeelde is niet eerder veroordeeld voor enig strafbaar feit en het is niet aannemelijk dat hij zal recidiveren door het plegen van een (ander) misdrijf waarbij DNA-onderzoek van belang kan zijn.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat de uitzondering van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA niet van toepassing is.

Beoordeling

De officier van justitie beveelt dat van een veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel.
Bij vonnis van 29 juni 2022 is de veroordeelde door de politierechter in deze rechtbank veroordeeld wegens verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft (artikel 321, 322 van het Wetboek van Strafrecht).
Dit betreft een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv.
Uitzondering op de regel is het geval waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
De rechtbank overweegt dat bij de totstandkoming van de Wet DNA door de wetgever gevallen zijn genoemd, waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. Als voorbeeld daarvan heeft de wetgever valsheid in geschrift en verduistering genoemd:
Nota naar aanleiding van het verslag van 8 juli 2003, TK 28 685, nr. 5.
De minister van Justitie beantwoord de vragen van de leden van de VVD-fractie, of met artikel 2, eerste lid, onderdeel b, niet uitermate subjectieve toetsingscriteria worden geïntroduceerd, die afbreuk doen aan de doelstellingen van het wetsvoorstel, waarbij zij als voorbeeld noemden valsheid in geschrifte, als volgt:
Op het eerste gezicht lijkt het vanzelfsprekend dat DNA-afname hier geen functie heeft, aldus deze leden, maar de recidive van de veroordeelde behoeft niet hetzelfde soort misdrijf te betreffen, aldus deze leden. Graag beantwoord ik deze vraag als volgt. De toetsingscriteria van artikel 2, eerste lid, onder b, vereisen altijd een objectief waardeerbare omstandigheid. Het kan gaan om de omstandigheid dat de veroordeelde een misdrijf heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek niet van betekenis is, dan wel om de bijzondere omstandigheden waaronder de veroordeelde het misdrijf heeft
gepleegd. De criteria houden in dat van DNA-onderzoek wordt afgezien indien, gelet op deze objectief waardeerbare omstandigheid of omstandigheden, redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel niet van belang is voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Het gaat er om dat niet aannemelijk is dat de veroordeelde eerder reeds een misdrijf heeft gepleegd dat met behulp van DNA-onderzoek kan worden opgelost, dan wel later nogmaals zo’n misdrijf zal plegen. Dit betekent dat bij de veroordeelde die is veroordeeld voor een misdrijf als valsheid in geschrifte, waarbij DNA-onderzoek doorgaans geen functie heeft, maar die in het verleden ook andere soorten misdrijven heeft gepleegd waarbij DNA-onderzoek wel een functie heeft, toch DNA-onderzoek plaatsvindt.
Artikel 2, eerste lid, onder b, vraagt namelijk om een beoordeling van de relevantie van DNA-onderzoek voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van misdrijven van deze veroordeelde. Indien er omstandigheden zijn die aannemelijk maken dat de veroordeelde zal recidiveren in een ander soort misdrijf waarvoor DNA-onderzoek wel van belang is, dan zal de officier van justitie op grond van artikel 2, eerste lid, besluiten hem een DNA-onderzoek te laten ondergaan.
De rechtbank constateert dat door de officier van justitie geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat de veroordeelde zal recidiveren in een ander soort misdrijf, waarvoor DNA-onderzoek wel van belang is en ook overigens van het bestaan van zulke feiten of omstandigheden niet aan de rechtbank is gebleken. In dat verband overweegt de rechtbank in het bijzonder dat niet is gebleken dat de veroordeelde eerder werd veroordeeld wegens een strafbaar feit of dat een strafbeschikking daarvoor werd uitgevaardigd.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en beveelt dat de officier van justitie ervoor zorg draagt dat het celmateriaal van de veroordeelde terstond wordt vernietigd.
Deze beslissing is gegeven door
mr. F.M. van Maanen Winters, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. I.M.J. Luyten, griffier,
en uitgesproken ter zitting van de raadkamer van 18 oktober 2022.