Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de definitieve vaststelling van haar tegemoetkoming in het kader van de NOW-2-regeling, omdat zij van mening is dat de omzetdaling niet per NOW-periode maar over het gehele boekjaar had moeten worden berekend. De minister had haar aanvraag afgewezen omdat het omzetverlies in de gekozen periode minder dan 20% bedroeg, terwijl dat het minimumniveau is voor een tegemoetkoming.
De rechtbank overweegt dat de NOW-2-regeling duidelijk voorschrijft dat de omzetdaling wordt vastgesteld per omzetperiode van vier aaneengesloten maanden binnen juni tot en met november 2020. De regeling laat geen ruimte voor een afwijkende berekeningswijze op jaarbasis. De minister heeft de rekenmethode correct toegepast en de regeling is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel of andere beginselen van behoorlijk bestuur.
Hoewel de strikte toepassing van de regeling nadelig uitpakt voor eiseres, is dit een bewuste beleidskeuze van de minister om eenvoud en uitvoerbaarheid te waarborgen. Er is geen hardheidsclausule opgenomen en de regeling dekt de risico’s van ondernemers die bewust uitbreiden tijdens de coronacrisis niet. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit van 28 april 2021 blijft in stand.