ECLI:NL:RBLIM:2022:7132
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Huurkorting tijdens coronapandemie: geen aanspraak voor onderverhuurder
In deze zaak stond centraal of Heineken Nederland B.V., als huurder en onderverhuurder van een cafépand, aanspraak kon maken op huurkorting wegens de coronapandemie. De horeca was gedwongen gesloten van 15 maart tot 1 juni 2020, wat leidde tot omzetverlies. Heineken verleende uit coulance een huurkorting aan haar onderhuurders en verrekende deze vervolgens met de verhuurder.
De kantonrechter volgde de prejudiciële beantwoording van de Hoge Raad, die stelde dat huurders die voor hun omzet afhankelijk zijn van publiek, onder art. 6:258 BW Pro aanspraak kunnen maken op huurprijsvermindering. Heineken voldeed echter niet aan dit criterium omdat zij zelf niet afhankelijk was van publiek, maar van huurinkomsten en verkoop door haar onderhuurders.
De rechtbank oordeelde dat Heineken de huurkorting niet mocht doorberekenen aan de verhuurder en veroordeelde Heineken tot terugbetaling van € 2.444,54 plus wettelijke rente. De vorderingen van Heineken in reconventie, die een hogere huurkorting eisten, werden afgewezen. Tevens werd Heineken veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
De uitspraak benadrukt de beperkte kring van gerechtigden voor huurkorting wegens onvoorziene omstandigheden en bevestigt dat onderverhuurders niet automatisch aanspraak maken op deze regeling. De financiële positie van partijen en concrete omstandigheden kunnen afwijken van de standaardverdeling, maar vormden hier geen grond voor afwijking.
Uitkomst: Heineken wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 2.444,54 aan onterecht verrekende huurkorting en betaling van kosten.