De verzoeker is op 13 november 2019 aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling. De voorlopige hechtenis werd op 28 november 2019 opgeheven. De officier van justitie besloot tot een beleidssepot, mede vanwege een ISD-maatregel in een andere zaak.
De verzoeker vroeg vergoeding van immateriële schade van €1.690,- wegens de voorlopige hechtenis. De rechtbank oordeelde dat de voorlopige hechtenis langer duurde dan nodig doordat de verzoeker zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht beriep en daardoor later een verklaring aflegde. Dit leidde tot een langere detentie.
Hoewel de officier van justitie stelde dat het bewijs toereikend was voor een veroordeling en daarom geen vergoeding passend was, vond de rechtbank onvoldoende bewijs dat de zaak onmiskenbaar tot veroordeling had geleid. Daarom wees de rechtbank een gedeeltelijke vergoeding toe volgens de LOVS-oriëntatiepunten met een maatstaf van 0,5, wat neerkomt op €840,-. Het overige verzoek werd afgewezen.