AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand na waarschuwing
Gedaagde huurt woonruimte van eisers en heeft een huurachterstand van €831,14 tot en met maart 2022. In een eerder vonnis van december 2021 werd gedaagde gewaarschuwd dat een nieuwe huurachterstand kan leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst. Ondanks deze waarschuwing ontstond opnieuw een achterstand.
Eisers vorderen ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand inclusief wettelijke rente en een vergoeding voor de huur vanaf april 2022 tot ontruiming. Gedaagde reageerde niet op het verzoek om uitstel en diende geen verweer in.
De kantonrechter oordeelt dat gedaagde tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen en dat ontbinding en ontruiming gerechtvaardigd zijn. De gevorderde incassokosten worden afgewezen wegens het ontbreken van een kosteloze aanmaning conform artikel 6:96 lid 6 BWPro en omdat deze kosten reeds in het eerdere vonnis zijn toegewezen.
Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, de huurprijs vanaf april 2022, en de proceskosten van €339,74. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en gedaagde veroordeeld tot ontruiming en betaling van de huurachterstand en huur vanaf april 2022.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 9796901 \ CV EXPL 22-1620
Vonnis van de kantonrechter van 1 juni 2022
in de zaak van:
1.[eiser sub 1] ,wonend [adres] ,[postcode] [woonplaats] ,
2. [eiser sub 2], wonend [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde mr. R.C. Breuls,
tegen:
J.H.G. BUS,
wonend [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
gedaagde partij,
procederende in persoon.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het verzoek om uitstel van gedaagde partij.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De feiten
2.1.
Gedaagde partij huurt van eisende partij de woonruimte aan de [adres] te [plaatsnaam] , gemeente [naam gemeente] . De huurprijs bedraagt € 776,54 per maand (en per 1 juli 2022 € 802,17 per maand) en deze moet voor de eerste dag van iedere maand betaald worden.
2.2.
Tot en met maart 2022 bedraagt de huurachterstand € 831,14.
2.3.
Tegen gedaagde partij is bij vonnis van 1 december 2021 een veroordeling uitgesproken. De vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zijn toen afgewezen. In het vonnis is in rechtsoverweging 2.3 het volgende opgenomen:
Het niet volledig en tijdig betalen van de huur levert een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen op en op basis hiervan kan de huurovereenkomst ontbonden worden De geringe hoogte van deze achterstand rechtvaardigt evenwel geen ontbinding. Die zal dan ook worden afgewezen, waarmee ook de vordering tot ontruiming van het gehuurde wordt afgewezen. De kantonrechter wijst gedaagde partij er wel op dat het tijdig en volledig betalen van de huur een hoofdverplichting is. Mocht er weer een achterstand ontstaan, dan moet gedaagde partij er rekening mee houden dat de huurovereenkomst wél wordt ontbonden.
3.Het geschil
3.1.
Eisende partij vordert - samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van gedaagde partij tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van:
- € 831,14 aan huurachterstand tot en met maart 2022, te vermeerderen met de wettelijke rente,
- € 321,33 aan buitengerechtelijke incassokosten,
- de kosten van de procedure.
3.2.
Ter onderbouwing van de vordering stelt eisende partij dat gedaagde partij de huurpenningen met regelmaat te laat of zelfs niet betaalt. Als productie 2 heeft eisende partij een overzicht van de betalingen overgelegd.
4.De beoordeling
4.1.
De kantonrechter is van oordeel dat de vorderingen van eisende partij moeten worden toegewezen, echter met uitzondering van de gevorderde incassokosten. Daarvoor is het volgende van belang.
4.2.
In de eerste plaats geldt dat gedaagde partij na verkregen uitstel niet meer heeft gereageerd en geen conclusie van antwoord heeft ingediend. Verder is van belang dat gedaagde partij in het vonnis van 1 december 2021 is gewaarschuwd dat een nieuwe huurachterstand kan leiden tot een ontbinding van de huurovereenkomst.
Als niet weersproken staat vast dat gedaagde partij na voornoemd vonnis een nieuwe huurachterstand heeft laten ontstaan. Verder blijkt uit het productie 2 bij dagvaarding dat de huur van meet af aan niet of niet tijdig is betaald en dat de huurachterstanden nooit helemaal zijn ingelopen. Gelet op alle voornoemde omstandigheden kan geconcludeerd worden dat gedaagde partij tekort schiet in de nakomingen van de verplichtingen uit de huurovereenkomst en dat van eisende partij daarom niet gevergd kan worden gedaagde partij nog langer in het gehuurde te laten. De vorderingen tot ontbinding en ontruiming worden daarom toegewezen. Dit geldt ook voor de huurachterstand van € 831,14 en de vordering tot betaling van een bedrag van € 776,54 per maand vanaf 1 april 2022 tot aan de dag van ontruiming.
4.3.
Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke kosten geldt dat er geen
kosteloze aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BWPro aan gedaagde partij is gestuurd. De overgelegde brief van 4 januari 2022 kan niet als een zodanige aanmaning worden aangemerkt. Daarbij is het de kantonrechter opgevallen dat eenzelfde bedrag wordt gevorderd als is toegewezen in het vonnis van 1 december 2021. Voor zover die kosten nog niet betaald zijn door gedaagde partij, dan geldt dat aan eisende partij een afschrift van dat vonnis in executoriale vorm is afgegeven, zodat tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan. Het reeds toegewezen bedrag aan incassokosten kan niet nog een keer gevorderd en toegewezen worden.
4.4.
Gedaagde partij wordt tot slot veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:
dagvaarding € 129,74
griffierecht € 86,00
salaris gemachtigde €
totaal € 339,74
5.De beslissing
De kantonrechter
5.1.
ontbindt de bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde, staande en gelegen te [postcode] [plaatsnaam] aan [adres] ,
5.2.
veroordeelt gedaagde partij, om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het gehuurde met personen en zaken te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eisende partij te stellen,
5.3.
veroordeelt gedaagde partij voorts om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de somma van € 831,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de verzuimdatum tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een vergoeding gelijk aan de huurprijs van € 776,54 voor elke ingegane maand met ingang van 1 april 2022, en vanaf 1 juli 2022 een bedrag van € 802,17, tot en met de maand waarin gedaagde partij het gehuurde heeft ontruimd,
5.5.
veroordeelt gedaagde partij voorts in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 339,74,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers en in het openbaar uitgesproken.