ECLI:NL:RBLIM:2022:4782
Rechtbank Limburg
- Verschoning
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verschoning rechter wegens vermeende vooringenomenheid
Een rechter van de rechtbank Limburg heeft op grond van artikel 40 Rv Pro een verzoek tot verschoning ingediend in een civiele zaak, omdat hij meende dat verdere behandeling door hem schadelijk zou zijn voor de rechterlijke onpartijdigheid. Dit verzoek was ingegeven door een processtuk van een partij waarin twijfel werd geuit over de onpartijdigheid van de rechter.
De verschoningskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van het subjectieve aspect (persoonlijke instelling van de rechter) en het objectieve aspect (objectief gerechtvaardigde vrees voor gebrek aan onpartijdigheid). De rechter gaf zelf aan niet vooringenomen te zijn en uit zijn handelen kon ook geen vooringenomenheid worden afgeleid.
De partij die het processtuk had ingediend erkende ondanks haar argumenten de onpartijdigheid van de rechtbank en stelde dat de getuigenverklaring zonder vooringenomenheid zou worden meegewogen. De kamer concludeerde dat geen feiten of omstandigheden waren die een schijn van partijdigheid konden rechtvaardigen.
Daarom wees de verschoningskamer het verzoek tot verschoning af en beval onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de rechter en partijen.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter is afgewezen wegens ontbreken van vooringenomenheid.