De zaak betreft een verzoek van een kleinzoon die de nalatenschap van zijn grootmoeder zuiver had aanvaard, maar later geconfronteerd werd met onverwachte vorderingsrechten voortvloeiend uit het testament van zijn grootvader. Deze vorderingen waren niet bekend bij de erfgenaam en ook niet terug te vinden in de administratie van de erflaatster.
De kantonrechter stelde vast dat de erfgenaam niet op de hoogte was en ook niet behoorde te zijn van deze schulden, mede omdat noch hijzelf, noch zijn vader of de accountant van de erflaatster hiervan wisten. De tegenpartij, de tante van de verzoeker, kon deze stellingen onvoldoende weerleggen.
Gelet op de omstandigheden en het feit dat de nalatenschap nog niet is vereffend, oordeelde de kantonrechter dat sprake is van een situatie als bedoeld in art. 4:194a lid 1 BW, waardoor de machtiging tot beneficiaire aanvaarding kan worden verleend. De erfgenaam werd tevens gewezen op zijn verplichtingen als vereffenaar van de nalatenschap.