Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de akte uitlaten na tussenvonnis aan de zijde van [eiser] met drie producties,
- de antwoordakte na tussenvonnis van [gedaagde] met aanvullende productie nr. 23.
Rechtbank Limburg
In deze civiele procedure vordert een mede-eigenaar van een pand regres van een privéborg die zich voor de schulden van de vennootschap had gesteld. De bank had het pand verkocht en de opbrengst verrekend met openstaande schulden waarvoor de privéborg had getekend. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis bepaald dat de vordering binnen de leer van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW Pro) moet worden beoordeeld.
De rechtbank stelt vast dat de mede-eigenaar zijn deel van de verkoopopbrengst niet heeft ontvangen, maar dat niet kan worden vastgesteld dat hij daardoor daadwerkelijk is verarmd. De bank bepaalt immers welke zekerheden zij uitwint en in welke volgorde. Daarnaast is niet gebleken dat de privéborg is verrijkt door de uitwinning van het pand, omdat ook andere zekerheden beschikbaar waren voor de bank.
Gelet op het ontbreken van concrete aanwijzingen voor ongerechtvaardigde verrijking wijst de rechtbank de vordering af. De mede-eigenaar wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door kantonrechter G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De regresvordering van de mede-eigenaar tegen de privéborg wordt afgewezen wegens ontbreken van ongerechtvaardigde verrijking.