De rechtbank Limburg behandelde op 5 april 2022 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van ontucht met een minderjarige. Het slachtoffer verklaarde dat meerdere mannen, waaronder een persoon met de naam die overeenkomt met de verdachte, ontucht met haar hadden gepleegd in de nacht van 29 op 30 maart 2019. De officier van justitie achtte het bewezen dat verdachte seksueel binnendringen had gepleegd.
De verdediging betoogde dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevatte en dat de verklaring van het slachtoffer niet toereikend was om verdachte te veroordelen. De rechtbank benadrukte dat in zedenzaken de verklaring van het slachtoffer niet uitsluitend kan leiden tot een bewezenverklaring zonder ondersteunend bewijs uit een andere bron.
Hoewel het telefoonnummer van de verdachte werd genoemd en er contact na de betreffende nacht was, vond de rechtbank dit onvoldoende om verdachte te verbinden aan het gepleegde feit. DNA-sporen en andere bewijzen wezen op andere personen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde. De vordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard.