Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
- uit het rapport van het Pieter Baan Centrum naar voren komt dat de verdachte een vermijdende man is die geneigd is om zich terug te trekken, hetgeen overeenkomt met de verklaring van de verdachte zelf;
- de verdachte niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor de letsels van het slachtoffer, nu niet kan worden vastgesteld wanneer deze zijn opgelopen;
- de verklaringen van de twee ex-partners van de verdachte niet redengevend kunnen zijn voor een bewezenverklaring, omdat beide getuigen de verdachte al meer dan twintig jaar niet gezien of gesproken hebben en er geen patroon van geweld kan worden vastgesteld;
- het DNA-materiaal van de verdachte onder de nagels van het slachtoffer verklaard kan worden door het duw- en trekwerk waarover de verdachte heeft verklaard en bovendien omdat de verdachte en het slachtoffer een affectieve relatie hadden;
- het DNA-materiaal van de verdachte in de hals van het slachtoffer kan worden verklaard door het voelen naar een hartslag en bovendien omdat de verdachte en het slachtoffer een affectieve relatie hadden;
- er werd gesproken over een echtscheiding en er sprake was van irritaties van de verdachte in de richting van het slachtoffer, maar dat dit nog geen motief is voor het doden van [slachtoffer] ;
- de inconsistenties in de verklaringen van de verdachte verklaard kunnen worden vanuit zijn geheugenproblematiek;
- de afwezigheid van DNA-materiaal van een derde niet betekent dat er geen derde betrokken kan zijn geweest bij de dood van het slachtoffer.
Het aantreffen van het slachtoffer
De sectie op het lichaam van het slachtoffer
De bevindingen naar aanleiding van een buurtonderzoek
De verklaring van de verdachte
De verklaring van getuige [getuige]
DNA-materiaal op de hals van het slachtoffer
DNA-materiaal onder de nagels van het slachtoffer
De vaststelling op grond van de bewijsmiddelen
- een onderhuidse bloeduitstorting en een ingedroogde oppervlakkige huidbeschadiging links in de hals;
- bloeduitstortingen aan beide kanten van de hals inwendig, zowel hoog als laag, zowel oppervlakkig als diep;
- een breuk van het linker bovenste hoorntje van het strottenhoofd met omgevende bloeduitstorting;
- een bloeduitstorting hoog in de nek aan weerszijden van de wervelkolom;
- twee onderhuidse bloeduitstortingen rechts hoog op de rug, waarvan één met een opvallend rechte rand;
- vier gebroken ribben (achter) waarbij er, in relatie met de breuk van de zesde rib, een prikgaatje was in de bovenkwab van de rechterlong;
- onderhuidse bloeduitstortingen op onder andere de rechterschouder, de rechterbovenarm, de rechterpols, en de linkerenkel.
De bespreking van het alternatief scenario
- er geen braaksporen waren;
- er geen enkele getuige is die heeft verklaard een ander bij de woning te hebben gezien;
- uit forensisch onderzoek geen betrokkenheid van andere personen dan de verdachte en het slachtoffer is aangetoond (proces-verbaal, pagina 658). Noch op het lichaam van het slachtoffer noch in de woning zijn DNA-sporen van derden aangetroffen.
De tussenconclusie
De voorbedachte raad
Het (voorwaardelijk) opzet
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
- de uitgangspunten van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de rechtbank Limburg voor de strafmaat bij doodslag (niet minder dan acht jaar respectievelijk tussen de acht en twaalf jaar);
- het feit dat het slachtoffer de partner was van de verdachte en in haar eigen woning is gedood;
- het onmetelijke verdriet dat is toegebracht aan de nabestaanden;
- de proceshouding van de verdachte;
- de verklaringen in het dossier waaruit blijkt dat de verdachte langere tijd zowel het slachtoffer als een eerdere partner heeft mishandeld;
- de conclusie van het Pieter Baan Centrum dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, een conclusie die de officier van justitie heeft overgenomen;
- het feit dat het opleggen van de maatregel van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht meebrengt dat de verdachte lange tijd na detentie gemonitord en aangestuurd kan worden om te voorkomen dat hij opnieuw in een situatie komt waarin risico’s ontstaan.
7.De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor het subsidiaire feit tot een gevangenisstraf van 7 jaren;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 17.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 9 november 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [nabestaande 1] van € 17.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 9 november 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 122 dagen. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
- verklaart de benadeelde partij [nabestaande 2] niet-ontvankelijk in de vordering ten aanzien van het bedrag van € 2.308,54;
- wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 402,48, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 9 november 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [nabestaande 2] van € 402,48, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 9 november 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 8 dagen. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.