Eiser heeft op 6 februari 2017 een eenzijdig ongeval gehad met een quad waarbij hij letsel opliep. Hij vorderde schadevergoeding van het Waarborgfonds Motorverkeer (WBF) omdat hij stelde dat het ongeval veroorzaakt werd door het gevaarlijk rijgedrag van een onbekende bestuurder van een bestelbus met aanhanger die na het ongeval doorreed.
De rechtbank oordeelde dat het verzet van WBF tegen het verstekvonnis tijdig was ingediend, aangezien het verstekvonnis niet aan WBF persoonlijk was betekend en de kennisgeving aan haar voormalige advocaat niet als een daad van bekendheid kon worden aangemerkt.
Inhoudelijk stelde de rechtbank vast dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd dat de onbekende bestuurder onrechtmatig had gehandeld door plotseling te remmen. De getuigenverklaringen ondersteunden zijn stelling niet en de verklaring van eiser als partijgetuige kon zonder aanvullend bewijs niet als voldoende worden beschouwd.
Daarom werden de vorderingen van eiser afgewezen en werd hij veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis vernietigde het eerdere verstekvonnis en sprak de afwijzing van de vordering uit.