Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 december 2022 in de zaak tussen
Stichting Animal Rights, uit Den Haag en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg (verweerder)
Stichting Faunabeheereenheid Limburguit Roermond (vergunninghouder).
Inleiding
Totstandkoming van het besluit
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Deze ontheffing kan worden ingezet in het kader van beheer & schadebestrijding ter voorkoming van ernstige schade aan hobby vee, op het perceel waar schade aan hobby vee wordt ondervonden of tot maximaal 500 meter daarbuiten. Ter voorkoming van schade kan van deze ontheffing slechts gebruik worden gemaakt indien andere bevredigende oplossingen om schade te voorkomen zoals het plaatsen van een vossen werend hek, het ’s nachts ophokken van dieren of andere middelen/methoden o.a. beschreven in de Faunaschade Preventiekit, module Vossen en marterachtigen (…) onvoldoende bevredigend zijn gebleken.”
indien andere bevredigende oplossingen om schade te voorkomen (…) onvoldoende bevredigend zijn gebleken”. Hierbij wordt in een niet limitatieve opsomming (“
zoals”) een aantal oplossingen genoemd, zonder dat duidelijk is of deze verplicht zijn en wanneer voldoende inspanning is verricht om schade te voorkomen. In de ‘Faunaschade PreventieKit’ voor vossen en marterachtigen wordt bijvoorbeeld ook als preventieve maatregel genoemd ‘vlaggen en linten’. Onduidelijk is of met diverse van dergelijke visuele afschrikmiddelen al aan het voorschrift is voldaan. Door de formulering van het voorschrift acht de voorzieningenrechter dat niet uitgesloten, terwijl van het enkel nemen van dergelijke maatregelen toch bezwaarlijk kan worden gezegd dat als desondanks schade ontstaat, de conclusie gerechtvaardigd is dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat dan afschot.
ondanksvoldoende inzet van preventieve middelen. Uit bijlage 1 kan dan ook niet worden geconcludeerd dat preventieve middelen niet toereikend zijn en er derhalve geen andere bevredigende oplossing bestaat. Immers, niet valt in te zien dat indien de overige in deze periode doorgeschreven machtigingen gecontroleerd zouden worden deze een ander beeld geven. Verzoekers hebben bovendien met de door hen overgelegde brief van de toenmalige staatssecretaris van 23 april 2002 en het stuk ‘Pluimvee beschermen tegen predatie’ van Bureau Mulder-natuurlijk van augustus 2014 naar voorlopig oordeel aannemelijk gemaakt (of in ieder geval het begin van bewijs geleverd) dat de daar genoemde maatregelen voldoende afwerend werken tegen de vos en dat dit niet per definitie (financieel) onevenredig bezwarend is: oftewel dat dit (in beginsel) een bevredigende oplossing is. Verweerder en vergunninghouder hebben ter zitting weliswaar gesteld dat de genoemde maatregelen disproportioneel kostbaar zijn, maar hebben geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat dit onderzocht is en waarmee dit aannemelijk wordt gemaakt.