Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- het tussenvonnis van 4 augustus 2021,
- de akte van [eiser] tevens houdende een wijziging van eis,
- de antwoordakte van [gedaagde] ,
- de akte van [eiser] .
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Limburg
In deze civiele zaak stond de vergoeding van door eiser betaalde gemeentelijke en waterschapsheffingen centraal, die betrekking hadden op vier panden in gemeenschappelijke eigendom. De rechtbank kwam na een tussenvonnis van 4 augustus 2021 tot een eindbeslissing over de schadevergoedingsvordering van eiser, waarbij de verjaring, rechtsverwerking, schuldeisersverzuim en het gezag van gewijsde door gedaagde werden aangevoerd, maar niet slaagden.
Eiser had de heffingen volledig betaald en vorderde vergoeding van het aandeel van gedaagde. De rechtbank oordeelde dat de verjaring werd gestuit door de dagvaarding van 6 februari 2019 en dat er geen sprake was van rechtsverwerking of schuldeisersverzuim. Het gezag van gewijsde van eerdere verdelingsbeslissingen was niet van toepassing op de schadevergoeding.
De rechtbank stelde vast dat gedaagde 9/10e deel van de heffingen over 2015 en de volledige heffingen vanaf mei 2015 moest vergoeden, rekening houdend met gecorrigeerde aanslagbedragen na bezwaar. De totale schadevergoeding bedroeg €20.090,15. Daarnaast werd gedaagde veroordeeld tot betaling van wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten, die begroot werden op €4.690,00 plus bijkomende kosten.
Uitkomst: Gedaagde is veroordeeld tot betaling van €20.090,15 plus wettelijke rente aan eiser wegens ongerechtvaardigde betaling van heffingen.