Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2021:950

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 februari 2021
Publicatiedatum
5 februari 2021
Zaaknummer
8488014 CV EXPL 20-1973
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:307 BWArt. 3:308 BWArt. 3:317 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens verjaring geldleningsovereenkomst

Bierbrouwerij De Leeuw vordert betaling van € 25.000, vermeerderd met rente en kosten, uit hoofde van een geldleningsovereenkomst gesloten op 21 oktober 2009 met de gedaagde, eigenaar van een horecapand. De vordering is gebaseerd op niet-betaalde rente en aflossingen, waarbij de restant schuld per 25 september 2018 opeisbaar werd.

De gedaagde voert verweer dat de vordering verjaard is. De rechtbank onderzoekt de verjaringstermijn van vijf jaar zoals bepaald in artikel 3:307 en Pro 3:308 BW, die begint te lopen vanaf de opeisbaarheid van de vordering. Uit het overzicht van 25 september 2018 blijkt dat de laatste betaling op 4 februari 2015 plaatsvond, waarna de vordering opeisbaar werd. De enige aanmaning die de verjaring zou kunnen stuiten dateert van 24 maart 2020, na het verstrijken van de verjaringstermijn.

Bierbrouwerij De Leeuw kon niet aantonen dat de verjaring eerder was gestuit. De rechtbank volgt het verweer van de gedaagde en wijst de vordering af. Tevens verklaart de rechtbank de tegenvordering van de gedaagde niet-ontvankelijk omdat deze te laat is ingesteld. Bierbrouwerij De Leeuw wordt veroordeeld in de proceskosten, die nihil worden begroot aan de zijde van de gedaagde die in persoon procedeert.

Uitkomst: De vordering van Bierbrouwerij De Leeuw wordt afgewezen wegens verjaring en de tegenvordering van de gedaagde wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Zittingsplaats Maastricht
Burgerlijk recht
Zaaknummer: 8488014 CV EXPL 20-1973
Vonnis van 3 februari 2021
in de zaak van
de besloten vennootschap BIERBROUWERIJ DE LEEUW B.V.,
gevestigd te Valkenburg aan de Geul
eisende partij,
gemachtigde mr. drs. J.J.F.M. Konings (Invorderingsbedrijf B.V., Koninginnegracht 14-C, 2514 AA ’s-Gravenhage)
tegen
[gedaagde],
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon,
Partijen zullen hierna Bierbrouwerij De Leeuw en [gedaagde] worden genoemd.

1.Verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 26 maart 2020 met producties,
  • de conclusie van antwoord,
  • de conclusie van repliek met producties,
  • de conclusie van dupliek met producties,
  • de akte na dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
Bierbrouwerij De Leeuw vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 25.000,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en kosten.
2.2.
[gedaagde] voert verweer.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3. De beoordeling
3.1.
Bierbrouwerij De Leeuw stelt dat partijen op 21 oktober 2009 een overeenkomst van geldlening (GN 009.010) hebben gesloten, waarbij [gedaagde] - als eigenaar van het horecapand aan de [adres] te [vestigingsplaats] - een bedrag van € 33.500,00 van Bierbrouwerij De Leeuw heeft geleend. Omdat [gedaagde] zich niet heeft gehouden aan het betalen van de overeenkomen rente en aflossing is de restant schuld van € 32.139,48 per 25 september 2018 op grond van artikel 3 van Pro de overeenkomst onmiddellijk opeisbaar geworden. [gedaagde] is per die datum in verzuim. Omdat [gedaagde] zich evenmin heeft gehouden aan artikel 4 van Pro de overeenkomst (een exploitatie en afnameverplichting gedurende tien jaar) is de restant schuld bovendien op grond van artikel 12 van Pro de overeenkomst per 1 december 2019 onmiddellijk opeisbaar geworden. Naast de restschuld is [gedaagde] op grond van de overeenkomst en algemene voorwaarden rente en incassokosten verschuldigd.
In totaal (restant lening vermeerderd met rente en incassokosten) heeft Bierbrouwerij een bedrag van € 33.020,01 te vorderen van [gedaagde] , maar zij beperkt haar vordering in hoofdsom tot € 25.000,00.
Volgens Bierbrouwerij De Leeuw is [gedaagde] diverse malen, voor het laatst per brief van 24 maart 2020 (per e-mail verzonden) tot betaling gemaand.
3.2.
Als meest verstrekkend verweer stelt [gedaagde] dat de vordering van Bierbrouwerij De Leeuw is verjaard.
3.3.
Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of doen verjaart op grond van artikel 3:307 BW Pro na verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Op grond van 3:308 BW geldt hetzelfde voor rechtsvorderingen tot betaling van de rente.
Een verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid Pro 2).
3.4.
De kantonrechter volgt [gedaagde] in zijn verweer. Uit het door Bierbrouwerij De Leeuw overgelegd overzicht van 25 september 2018 blijkt dat op 4 februari 2015 voor de laatste keer een bedrag van de lening is afgeboekt. Hoewel onduidelijk is of dit een rentebetaling of een aflossing betreft, blijkt uit het overzicht afdoende dat [gedaagde] zich niet heeft gehouden aan het betalen van de overeengekomen rente en aflossing als bedoeld in artikel 3 van Pro de tussen partijen gesloten overeenkomst. Dit betekent dat in ieder geval vanaf 5 februari 2015 het resterende bedrag onmiddellijk opeisbaar is geworden. De hiervoor bedoelde verjaringstermijn van vijf jaren verstreek in principe dan ook op 5 februari 2020. De enige overgelegde aanmaning die expliciet tot de geldleningsovereenkomst met nummer (GN 009.010) is te herleiden is pas op 24 maart 2020, dus na het verstrijken van de verjaringstermijn, verzonden. Niet gesteld of gebleken is dat Bierbrouwerij De Leeuw in de tussenliggende jaren de verjaring ondubbelzinnig heeft gestuit. Bierbrouwerij De Leeuw stelt weliswaar dat zij [gedaagde] regelmatig op het bestaan van de restschuld heeft aangesproken, maar onderbouwt die stelling op geen enkele wijze. Nergens uit blijkt dat [gedaagde] het overzicht van 25 september 2018 heeft ontvangen en de door Bierbrouwerij overgelegde aanmaningen/brieven van 21 mei 2012, 20 november 2014 en 8 december 2014 hebben betrekking op een ander horecapand van [gedaagde] en een andere lening. Het beroep van [gedaagde] op de verjaringstermijn slaagt dan ook.
3.4.
De vordering van Bierbrouwerij De Leeuw zal worden afgewezen.
3.5.
Verder verklaart de kantonrechter [gedaagde] niet ontvankelijk in zijn tegenvordering aangezien die vordering te laat (pas bij dupliek) is ingesteld.
3.6.
Bierbrouwerij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Aangezien [gedaagde] in persoon procedeert, worden de kosten aan zijn zijde begroot op nihil.
3.7.
De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vordering van Bierbrouwerij De Leeuw af.
4.2.
veroordeelt Bierbrouwerij De Leeuw in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot op heden begroot op nihil,
4.3.
verklaart [gedaagde] niet ontvankelijk in zijn tegenvordering. (zie opmerking bij 2.2.)
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Driessen en in het openbaar uitgesproken.