Uitspraak
1.Verloop van de procedure
- de dagvaarding van 26 maart 2020 met producties,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek met producties,
- de conclusie van dupliek met producties,
- de akte na dupliek.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Limburg
Bierbrouwerij De Leeuw vordert betaling van € 25.000, vermeerderd met rente en kosten, uit hoofde van een geldleningsovereenkomst gesloten op 21 oktober 2009 met de gedaagde, eigenaar van een horecapand. De vordering is gebaseerd op niet-betaalde rente en aflossingen, waarbij de restant schuld per 25 september 2018 opeisbaar werd.
De gedaagde voert verweer dat de vordering verjaard is. De rechtbank onderzoekt de verjaringstermijn van vijf jaar zoals bepaald in artikel 3:307 en Pro 3:308 BW, die begint te lopen vanaf de opeisbaarheid van de vordering. Uit het overzicht van 25 september 2018 blijkt dat de laatste betaling op 4 februari 2015 plaatsvond, waarna de vordering opeisbaar werd. De enige aanmaning die de verjaring zou kunnen stuiten dateert van 24 maart 2020, na het verstrijken van de verjaringstermijn.
Bierbrouwerij De Leeuw kon niet aantonen dat de verjaring eerder was gestuit. De rechtbank volgt het verweer van de gedaagde en wijst de vordering af. Tevens verklaart de rechtbank de tegenvordering van de gedaagde niet-ontvankelijk omdat deze te laat is ingesteld. Bierbrouwerij De Leeuw wordt veroordeeld in de proceskosten, die nihil worden begroot aan de zijde van de gedaagde die in persoon procedeert.
Uitkomst: De vordering van Bierbrouwerij De Leeuw wordt afgewezen wegens verjaring en de tegenvordering van de gedaagde wordt niet-ontvankelijk verklaard.