Uitspraak
Rechtbank Limburg
1.De procedure
2.Het standpunt van verzoekster
3.De beoordeling
.
Rechtbank Limburg
Verzoekster, een besloten vennootschap actief in grond-, weg- en waterbouw, ondervond door de COVID-19 crisis een forse terugval in opdrachten en omzet, wat leidde tot een schuldenlast van ruim €1.300.000 en opschorting van kredietfaciliteiten door Rabobank. Zij verzocht de rechtbank om een afkoelingsperiode ex artikel 376 Faillissementswet Pro van twee maanden toe te kennen om een onderhands akkoord aan schuldeisers aan te bieden en zo een faillissement af te wenden.
Tijdens de zitting op 26 februari 2021, gehouden via videoverbinding, werden de standpunten van verzoekster en Rabobank besproken. Verzoekster toonde aan dat zij levensvatbaar is en na sanering haar activiteiten wil voortzetten. Tevens werd onderbouwd dat de afkoelingsperiode noodzakelijk is om de continuïteit te waarborgen en onderhandelingen met schuldeisers mogelijk te maken, mede gezien reeds gedane beslagleggingen en een dreigend faillissementsverzoek.
De rechtbank oordeelde dat aan de wettelijke voorwaarden voor het afkondigen van de afkoelingsperiode is voldaan. Er is aannemelijk dat verzoekster haar schulden niet kan blijven betalen zonder herstructurering, maar dat de belangen van schuldeisers worden gediend met de afkoelingsperiode. Tevens werden de belangen van derden niet wezenlijk geschaad. De rechtbank besloot daarom de afkoelingsperiode van twee maanden toe te wijzen, ingaande 4 maart 2021, met de daarbij behorende beperkingen op verhaal en opeising door derden.
Uitkomst: Verzoek tot afkoelingsperiode ex artikel 376 Faillissementswet wordt toegewezen voor twee maanden om sanering mogelijk te maken.