Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
feit 2), waaronder de drie klanten die in de tenlastelegging vermeld staan ( [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] ). De officier van justitie gaat er hierbij vanuit dat de feiten zijn gepleegd in de periode van 1 maart 2019 tot en met 28 mei 2019.
feit 1), [slachtoffer 4] (
feit 2) en [slachtoffer 5] (
feit 3) seksueel uitgebuit door hen te dwingen om seks tegen betaling te hebben met anderen. De opbrengsten van deze seksafspraken heeft de verdachte zich vervolgens grotendeels toegeëigend. De verdachte heeft hen gedwongen door misbruik te maken van de kwetsbare positie waarin de slachtoffers zich bevonden. Ten aanzien van [slachtoffer 5] acht de officier van justitie ook bewezen dat de verdachte om [slachtoffer 5] zover te krijgen, geweld tegen haar heeft gebruikt en haar bedreigd heeft.
feit 4).
feit 1), en dat de verdachte samen met [mededader] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meerdere personen heeft opgelicht die dachten een seksafspraak te hebben met [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , waaronder klant [slachtoffer 6] (
feit 2). Op grond van de verklaringen van de verdachte en [slachtoffer 1] gaat de rechtbank bij feit 1 uit van een pleegperiode van
“weglopen mag ik niet meer doen van me vader ik wil jullie wel nog graag zien”(..)
“Maar als je weer weg wilt zeg het ons ok” ”Kome we je halen”(..)
“kom me woensdag weer op pikken”
“Ja zeker doen we schat”(..)
“Doe maar bij jumbo dan loop ik een klein stukje”
“Nee niet bij jumbo. Daar heb je cameras”(..)
“Heb je je medicijnen trouwens al gehad?”
“Nee ik krijg ze gelukkig niet tot en met donderdag en dan gaan hun verder kijken hoe en wat dat hebben hun gezegd”
“Oh oke, maar woensdag je toch weg dus hoe willen ze dat doen donderdag”(..)
“Ik verheug me weer op woensdag dat ik jullie weer kan zien”
“Jah wat denk je van ons. Wij zijn er ook blij mee. Hebben je ook veel liever bij ons. Hier zit je tenminste goed bij ons”. [19]
de rechtbank begrijpt: de verdachte).
feit 1) als [slachtoffer 5] (
feit 3)acht de rechtbank de seksuele uitbuiting op alle sub-onderdelen bewezen. De rechtbank ziet – anders dan de verdediging – geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3] te twijfelen. Waar de verklaringen van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3] zowel ten opzichte van elkaar als ten opzichte van andere verhoren die hen zijn afgenomen niet volledig met elkaar overeenstemmen, betekent dat niet automatisch dat deze reeds daarom onbetrouwbaar zouden zijn. Het onderzoek naar de verdachte en de medeverdachte is een langdurig proces geweest. Vanaf de periode februari 2016 tot en met september 2019 hebben [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3] op uiteenlopende tijdstippen uitgebreide verklaringen afgelegd over feiten en omstandigheden die zich (bij de latere verhoren) reeds jaren geleden zouden hebben voorgedaan. Verschillen tussen eerdere en latere verklaringen zijn dan bijna onvermijdelijk. Bovendien heeft de zaak een enorme impact op de slachtoffers gehad. Dit verklaart ook dat er tegenstrijdigheden in de verklaringen kunnen zitten. De tegenstrijdigheden die er zijn, zijn echter niet zodanig dat de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] onbetrouwbaar acht en daarom van het bewijs moet uitsluiten. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] in grote lijnen met elkaar overeenkomen. Los van het feit dat hun verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen uit het dossier, geldt bovendien dat niet ieder onderdeel van een tenlastelegging door twee bewijsmiddelen hoeft te worden belegd. De rechtbank neemt de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] , zoals die hiervoor zijn weergegeven, dan ook als uitgangspunt voor het bewijs.
feit 4) heeft de verdachte bekend, zodat de rechtbank dit feit eveneens bewezen acht. De rechtbank gaat hierbij uit van dezelfde pleegperiode als de seksuele uitbuiting.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 en 2 onder parketnummer 03/720662-19 en voor de feiten 1, 3 en 4 onder parketnummer 03/702626-16 tot een gevangenisstraf van 3 jaren;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 november 2021 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 8 dagen. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] van een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 november 2021 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 160 dagen. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe en veroordeelt de verdachte mitsdien hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] te betalen een bedrag van € 155,74 ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 april 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, welke kosten tot op heden worden begroot op € 36,00;
- bepaalt dat voor zover dit bedrag door een van de mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag te betalen;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] van een bedrag van € 155,74, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 april 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
- bepaalt dat voor zover dit bedrag door een van de mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag te betalen.