ECLI:NL:RBLIM:2021:8769

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 november 2021
Publicatiedatum
22 november 2021
Zaaknummer
C/03/287021 / HA ZA 21-17
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 lid 3 BWArt. 3:169 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gebruikvergoeding voor mede-eigenaar woning na echtscheiding toegewezen

De rechtbank Limburg behandelde een zaak waarin de man (eiser) vorderde dat de vrouw (gedaagde) een gebruiksvergoeding betaalt voor het gebruik van de gemeenschappelijke woning na hun echtscheiding. De woning was tot 1 september 2021 gezamenlijk eigendom, maar de vrouw woonde er vanaf juli 2020 met de kinderen, terwijl de man de hypotheekrente en andere eigenaarslasten betaalde.

De vrouw betwistte de vordering en voerde aan dat zij niet in staat was de lasten te betalen, de woning in slechte staat verkeerde en dat de man zich tien jaar als enig eigenaar had gedragen. De rechtbank oordeelde dat het gebruik en genot van de woning toekomt aan beide mede-eigenaren gezamenlijk en dat de man recht heeft op schadeloosstelling omdat hij verstoken was van het gebruik terwijl hij wel de lasten droeg.

De rechtbank stelde vast dat de vrouw vanaf juli 2020 tot de verkoop van de woning op 1 september 2021 een gebruiksvergoeding van €679,08 per maand moet betalen, gelijk aan de door de man betaalde hypotheekrente, opstalverzekering en gemeentelijke belastingen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Gedaagde moet een gebruiksvergoeding van €679,08 per maand betalen over juli 2020 tot september 2021.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/287021 / HA ZA 21-17
Vonnis van 17 november 2021 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. P.J.H.C. Glenz,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. L.C.A. Diederen.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding,
  • de conclusie van antwoord,
  • de rolbeschikking van 7 april 2021 waarbij een mondelinge behandeling is gelast,
  • het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 16 september 2021.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] en [gedaagde] zijn op 25 juni 1999 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank Maastricht van 29 december 2010, gegeven onder zaaknummer 149958 / S RK 10-365 is de echtscheiding tussen [eiser] en [gedaagde] uitgesproken. Daarnaast is, voor zover in deze procedure van belang, [eiser] veroordeeld tot betaling van € 53,00 per kind per maand aan [gedaagde] als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van hun vier kinderen.
2.2.
De huwelijksgemeenschap die tussen [eiser] en [gedaagde] bestond is als gevolg van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in het register van de burgerlijke stand op 8 februari 2011 ontbonden.
2.3.
Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorde de woning, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] (hierna: de woning).
2.4.
[gedaagde] heeft op 2 juli 2020 haar intrek in de woning genomen.
2.5.
De woning is verkocht en op 1 september 2021 geleverd aan de huidige partner van [gedaagde] .

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, na zijn eis tijdens de mondelinge behandeling te hebben verminderd, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 679,08 per maand vanaf juli 2020 tot 1 september 2021.
3.2.
[gedaagde] voert verweer tegen toewijzing van de vordering.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling

Moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding aan [eiser] betalen?

4.1.
Tussen [eiser] en [gedaagde] staat niet ter discussie dat [gedaagde] op 2 juli 2020 met de kinderen haar intrek heeft genomen in de woning. [eiser] en [gedaagde] verschillen van mening over de vraag of [gedaagde] over de periode vanaf juli 2020 tot 1 september 2021 aan [eiser] een vergoeding moet betalen voor het gebruik van de woning. De woning behoorde in deze periode nog in gemeenschappelijke eigendom aan hen toe.
4.2.
Volgens [eiser] moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding betalen, omdat zij in de periode vanaf juli 2020 tot 1 september 2021 alleen het gebruik van de woning heeft gehad, terwijl partijen in deze periode ieder voor de helft eigenaar waren van de woning. Daar komt bij dat [eiser] ook in deze periode de hypotheekrente, de premie van de opstalverzekering en de gemeentelijke belastingen, voor zover het de eigenaarslasten betreft, heeft voldaan. Verder heeft [gedaagde] na de echtscheiding niet bijgedragen in de woonlasten. [eiser] heeft deze volledig voor zijn rekening genomen, terwijl [gedaagde] in ieder geval ook draagplichtig was voor de betaling van de hypotheekrente. Daarom brengen de redelijkheid en billijkheid mee dat [gedaagde] over de periode vanaf juli 2020 tot 1 september 2021 de eigenaarslasten van de woning volledig voor haar rekening neemt. In het geval de gebruiksvergoeding zou moeten worden berekend door middel van toepassing van een rendementspercentage, dan moet het gebruikelijke percentage van 4% worden gehanteerd. Aangezien de waarde van de woning bij verkoop lager was dan de hypotheekschuld, moet volgens [eiser] in dat geval de taxatiewaarde van € 145.000,00 bij de berekening tot uitgangspunt worden genomen.
4.3.
[gedaagde] betwist dat zij een gebruiksvergoeding moet betalen. Zij is gelet op haar inkomen niet in staat de hypotheekrente van € 631,25 per maand te betalen. Daar kom bij dat de staat waarin de woning verkeert niet in verhouding staat tot de hypotheekrente. De woning is verloederd. Verder heeft [eiser] zich tien jaar lang als enig eigenaar van de woning gedragen. Hij gebruikte de woning als opslagruimte. [gedaagde] was al die tijd verstoken van het gebruik en genot van de woning. Verder moet de door [eiser] te betalen kinderalimentatie worden gewijzigd in het geval [gedaagde] een gebruiksvergoeding zou moeten betalen. Ten slotte geldt dat de waarde van de woning lager is dan de hypotheekschuld. Daarom is volgens [gedaagde] geen plaats voor vaststelling van een gebruiksvergoeding, want deze wordt volgens vaste rechtspraak berekend op basis van de overwaarde van de woning.
4.4.
De rechtbank neemt bij haar beoordeling tot uitgangspunt dat uit het bepaalde in artikel 3:169 van Pro het Burgerlijk Wetboek volgt dat het gebruik en genot van een woning toekomt aan de mede-eigenaren tezamen. Onder omstandigheden kan het zo zijn dat de deelgenoot die in een bepaalde periode verstoken is van het gebruik en genot van de gemeenschappelijke woning, [eiser] in dit geval, schadeloos moet worden gesteld, bijvoorbeeld door toekenning van een gebruiksvergoeding. Hierbij dienen de redelijkheid en billijkheid, die de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten in een gemeenschap op grond van artikel 3:166 lid 3 BW Pro beheerst, tot maatstaf.
4.4.1.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] aanspraak heeft op een gebruiksvergoeding over de periode van juli 2020 tot 1 september 2021. Partijen waren tot 1 september 2021, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning. Dat betekent dat als uitgangspunt geldt dat zij tot dat moment in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig waren voor de eigenaarslasten van de woning. Het staat vast dat [gedaagde] vanaf de echtscheiding niet meer in die lasten heeft bijgedragen. Daarom legt de omstandigheid, als die al juist zou zijn, dat [eiser] tien jaar lang alleen het gebruik en genot van de woning heeft gehad onvoldoende gewicht in de schaal voor het oordeel dat hij geen aanspraak heeft op een gebruiksvergoeding over de periode waarin alleen [gedaagde] dat gebruik en genot heeft gehad. [eiser] heeft in die periode namelijk niet alleen zijn eigen aandeel in de woonlasten betaald, maar hij heeft ook het aandeel van [gedaagde] in die lasten betaald. [eiser] heeft geen aanspraak gemaakt op vergoeding hiervan door [gedaagde] . Feitelijk heeft [gedaagde] daarmee een gebruiksvergoeding ontvangen.
4.4.2.
Bij haar beoordeling neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat anders dan [gedaagde] aanvankelijk betoogde, bij de berekening van de draagkracht van [eiser] ten behoeve van kinderalimentatie geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat [eiser] de woonlasten volledig voor zijn rekening nam. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt uit de echtscheidingsbeschikking dat bij de berekening van de draagkracht van [eiser] rekening is gehouden met de helft van de woonlasten van de woning. In de berekening is ervan uitgegaan dat de partner van [eiser] de andere helft zou voldoen. Bovendien woonden [eiser] en zijn partner feitelijk niet in de woning, terwijl de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van [eiser] wel daarvan is uitgegaan. Dit brengt tevens mee dat op basis hiervan niet op voorhand kan worden geconcludeerd dat vaststelling van een gebruiksvergoeding noopt tot wijziging van de kinderalimentatie in die zin dat [eiser] dan een hogere bijdrage zou moeten betalen. Daarom legt ook dit argument onvoldoende gewicht in de schaal om afwijzing van de vordering van [eiser] te rechtvaardigen.
4.4.3.
Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de waarde van de woning bij verkoop lager was dan de hypotheekschuld. Hoewel in situaties zoals deze de hoogte van een gebruiksvergoeding zoals [gedaagde] stelt inderdaad geregeld op basis van een percentage van de overwaarde wordt berekend, is het niet zo dat het enkele feit dat de hypotheekschuld hoger is dan de waarde van de woning meebrengt dat geen aanspraak bestaat op een gebruiksvergoeding. Ook hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd met betrekking tot de verhouding tussen de hoogte van haar inkomen en de woonlasten niet tot een ander oordeel leiden, alleen al omdat [gedaagde] zelf ervoor gekozen haar intrek in de woning met deze woonlasten te nemen. Ten slotte kan de omstandigheid dat [eiser] , als dit al juist zou zijn, in de jaren na de echtscheiding afspraken over onder andere de verkoop van de woning niet is nagekomen, niet ertoe leiden dat hij geen aanspraak heeft op een gebruiksvergoeding. Dit doet namelijk niets af aan het feit dat [eiser] vanaf juli 2020 tot 1 september 2021 verstoken was van het gebruik en genot van de woning terwijl hij -zoals tijdens de mondelinge behandeling vast is komen te staan- wel de hypotheekrente, de premie opstalverzekering en het eigenaarsdeel van de gemeentelijke belastingen volledig voor zijn rekening heeft genomen.
4.4.4.
Aangezien uit het voorgaande volgt dat [eiser] aanspraak heeft op een gebruiksvergoeding over de door hem gevorderde periode, moet nu de omvang van die vergoeding worden vastgesteld. Bij de beoordeling geldt als uitgangspunt dat [eiser] ook in deze periode (juli 2020 tot 1 september 2021) de hypotheekrente van € 631,25 per maand, de premie opstalverzekering van € 14,40 per maand en het eigenaarsdeel van de gemeentelijke belastingen van € 33,43 per maand heeft betaald. Dat komt neer op het door hem gevorderde maandbedrag van € 679,08. De rechtbank acht het in dit geval redelijk om de gebruiksvergoeding vast te stellen op dit bedrag. De vordering van [eiser] zal daarom worden toegewezen.
Proceskosten
4.5.
Aangezien partijen ex-echtgenoten zijn en deze procedure verband houdt met de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] over de periode vanaf 1 juli 2020 tot 1 september 2021 te betalen een bedrag van € 679,08 per maand ter zake het gebruik van de woning staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] .
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.H.J. Lafghani, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2021.
NL