12.1.Subsidiair hebben eisers betoogd dat de beleidsregel niet maakt dat niet handhavend kan worden opgetreden. Een beleidsregel kan immers niet in dezelfde mate binden als een algemeen verbindend voorschrift. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat ook in dat geval een beginselplicht tot handhaving bestaat waarvan enkel in uitzonderlijke gevallen kan worden afgezien. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is hier geen sprake, aldus eisers.
13. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers geen actueel procesbelang meer hebben bij deze beroepsgrond. Ten tijde van het indienen van de beroepsgronden was het feitelijk gebruik van de volledig beschikbare baanlengte van 2.750 meter immers al meer dan een jaar gestaakt. Vanaf dat moment viel er niks meer te handhaven, aldus verweerder.
14. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat er wel degelijk procesbelang is. Een gegrond beroep in de onderhavige bestuursrechtelijke procedure levert een executoriale titel op in een civielrechtelijke procedure. Wanneer het bestreden besluit niet juist is en de beleidsregels onverbindend zijn, dan kan in een civielrechtelijke procedure schadevergoeding worden gevorderd. Volgens eisers is, met name voor [naam 1], vanaf
1 januari 2019 de geluidsoverlast flink toegenomen vanwege het illegale gebruik van de start- en landingsbaan. Volgens eisers is er sprake van overmatige geluidshinder.
15. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende kan hebben bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende feitelijke betekenis heeft. Niet bestreden is dat het feitelijk gebruik van de volledig beschikbare baanlengte van 2.750 meter ten tijde van het indienen van het beroep tegen de afwijzende beslissing op het handhavingsverzoek al geruime tijd was gestaakt. In het licht hiervan is een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit voor zover dat ziet op afwijzing van het verzoek om handhaving van het gestelde illegale gebruik van de volledige baanlengte van 2.750 meter in de periode 1 januari 2019-1 april 2019 komen te vervallen. Procesbelang kan ook bestaan indien het enigszins aannemelijk is dat het bestreden besluit relevante schade heeft veroorzaakt. De enkele stelling, dat het besluit schade heeft veroorzaakt, is echter niet voldoende om een procesbelang aan te nemen. De rechtbank stelt vast dat eisers de door hen gestelde schade vanwege overmatige geluidshinder vanaf 1 januari 2019 dan wel vanaf
7 februari 2019, datum indiening handhavingsverzoek, tot 1 april 2019, niet nader hebben geconcretiseerd dan wel met stukken hebben onderbouwd. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat eisers geen procesbelang meer hebben bij een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond.
Het illegaal gebruik van de verlengde start- en landingsbaan vanaf 1 april 2019
16. Eisers hebben betoogd dat er vanaf 1 april 2019 in ieder geval sprake is van een overtreding, omdat de verlenging van 250 meter van de start- en landingsbaan inmiddels is gerealiseerd en in gebruik is. Dat is in strijd met de Omzettingsregeling en het daaraan ten grondslag liggende Aanwijzingsbesluit van 2004. Uit bijlage B1 van het Aanwijzingsbesluit blijkt dat MAA de startpositie op baan 03 op onjuiste gronden heeft verplaatst naar de kop van baanvak 03. Volgens bijlage B1 ligt het startpunt 150 meter zuidelijker. Het feitelijk gebruikte startpunt ligt echter nog eens circa 120 meter zuidelijker en dat levert ook volgens verweerder een overtreding op. Eisers kunnen zich echter niet vinden in verweerders standpunt dat de baandrempel voor landingen op baan 21 (voor landingen uit noordelijke richting) met 250 meter is opgeschoven waardoor de 250 meter meest zuidelijk gelegen verharding mag worden gebruikt als verlengde landingsbaan. Dit betekent volgens verweerder dat in zijn totaliteit rechtmatig gebruik wordt gemaakt van de complete verharding van 2.750 meter, zij het in verschillende delen van 2.500 meter. Dit komt volgens eisers niet overeen met het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Omzettingsregeling (en artikel 4, tweede lid, van het Aanwijzingsbesluit 2004) waarin is opgenomen dat de luchthaven een start- en landingsbaan heeft met een lengte van 2.500 meter en een breedte van 45 meter. De 250 meter beton is in 2003 aan het zuidelijke deel van de baan aangelegd als zogenaamde “stopway”. Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 mei 2003 en de daarop volgende uitspraak in hoger beroep van de Afdeling van 21 april 2004 (ECLI:RVS:2004:AO7932) blijkt dat dit deel beton niet als onderdeel van de start- en landingsbaan mag worden gebruikt en daar ook geen onderdeel van uitmaakt. Dit blijkt ook uit het toetsingsadvies van de commissie MER van 13 juli 2014. Hieruit volgt, onder meer, dat de commissie het bevoegd gezag adviseert in de aanwijzing het beoogd gebruik van de stopway/verschoven baandrempel te verhelderen en daarbij in te gaan op de wijze waarop handhaving hierop zal plaatsvinden. Deze opheldering is in het Aanwijzingsbesluit 2004 niet meer gekomen. Daarom dient volgens eisers voor een juiste uitleg van het Aanwijzingsbesluit 2004 aansluiting te worden gezocht bij de richtlijnen van de European Aviation Safety Agency (hierna: EASA) en de International Civil Aviation Organisation (hierna: ICAO).