Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 374,00(2 x tarief € 187,00)
Rechtbank Limburg
De huurder had een betalingsachterstand opgelopen voor de huur van een kamer tegen €280 per maand. De verhuurder vorderde ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming, betaling van achterstallige huur inclusief boete en bijkomende kosten. Tijdens de procedure gaf de verhuurder aan dat het pand per 1 januari 2021 was verkocht en beperkte hij zijn vordering tot de huurachterstand.
De huurder stelde dat hij de huur had opgeschort wegens het ontbreken van warm water en internet, maar de kantonrechter oordeelde dat deze gebreken inmiddels waren verholpen en dat de opschorting daarom niet langer gerechtvaardigd was. De huurachterstand over oktober, november en december 2020 werd toegewezen.
De boete van 10% per maand over de achterstallige huur werd ambtshalve getoetst aan de Richtlijn 93/13/EEG en het Burgerlijk Wetboek. De kantonrechter oordeelde dat het boetebeding onredelijk bezwarend was en vernietigde het. De verhuurder kreeg ook een vergoeding voor plaatsingskosten koelkast en servicekosten toegewezen.
De vordering tot huurbetaling vanaf 31 januari 2021 werd afgewezen omdat de verhuurder het pand had verkocht en geen belang meer had bij huurbetaling. De buitengerechtelijke incassokosten werden beperkt toegewezen conform het wettelijke tarief. De huurder werd veroordeeld tot betaling van €1.609,20 plus wettelijke rente en de proceskosten.
Uitkomst: De huurachterstand en bijkomende kosten worden toegewezen, het boetebeding wordt vernietigd en de ontbindings- en ontruimingsvorderingen worden afgewezen.