Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding met productie 1 tot en met 23,
- de conclusie van antwoord met productie 1 tot en met 30,
- de rolbeslissing van 5 juni 2019 waarbij een mondelinge behandeling is gelast,
- de brief van [gedaagde] van 6 november 2019 met productie 31 tot en met 33,
- het e-mailbericht van [gedaagde] van 12 mei 2021 met productie 31 tot en met 33,
- de brief van [eiser] van 19 mei 2021 met productie 24 tot en met 31,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 mei 2021.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
Verklaring voor recht ten aanzien van verdeling
“(…) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (…)”volgt dat de rechter terughoudend moet zijn bij de toepassing van deze bepaling. Dat geldt nog eens te meer als toepassing van deze bepaling ertoe leidt dat een fundamenteel rechtsbeginsel terzijde wordt geschoven.
5.De beslissing
uitsluitendhet bedrag dat [gedaagde] vanaf 28 april 2015 ter zake de heffingen aan hem is verschuldigd en de onderliggende bescheiden in het geding te brengen, waarna [gedaagde] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,