ECLI:NL:RBLIM:2021:6129

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 juli 2021
Publicatiedatum
30 juli 2021
Zaaknummer
C/03/294348 / HA RK 21-250
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 lid 1 RvArt. 37 lid 2 RvArt. 4 lid 2 onder c wrakingsprotocol
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter en griffier niet ontvankelijk wegens gebrek aan motivering

In deze zaak diende de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid een verzoek tot wraking in tegen mr. P.H.M. Kuster, rechter in de rechtbank Limburg, en de griffier. Het verzoek werd ingediend naar aanleiding van een lopende civiele procedure. De wrakingskamer beoordeelde het verzoek op basis van de wettelijke vereisten uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het wrakingsprotocol.

De wrakingskamer stelde vast dat het verzoek summier was en niet voldeed aan de motiveringsplicht. Verzoekster gaf geen concrete feiten of omstandigheden aan die het vermoeden van partijdigheid of gebrek aan onpartijdigheid van de rechter konden rechtvaardigen. Ook het wrakingsverzoek tegen de griffier werd afgewezen omdat daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat.

Op grond van deze bevindingen verklaarde de wrakingskamer het verzoek tot wraking van zowel de rechter als de griffier niet ontvankelijk en besloot zij dat een mondelinge behandeling niet nodig was. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2021 door de wrakingskamer bestaande uit drie rechters.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter en griffier is niet ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan motivering.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/294348 / HA RK 21-250
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde E.W. Sweers te Kerkrade
dat strekt tot wraking van mr. P.H.M. Kuster, rechter in de rechtbank Limburg, hierna de rechter.

1.De procedure

Op 14 juli 2021 is ter griffie een brief ontvangen betreffende ‘Wraking Rechter en Griffier’ in de zaak met nummer 8959939 CV EXPLO 21-179 tussen [naam] en [verzoekster]
Gelet op hetgeen hieronder wordt overwogen, heeft de voorzitter van de wrakingskamer beslist dat de rechter niet om een reactie gevraagd hoefde te worden.

2.De beoordeling

Ingevolge artikel 36 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Het verzoek wordt ingevolge artikel 37, lid 1 Rv, gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan verzoekster bekend zijn geworden. Een verzoek tot wraking dient ingevolge artikel 37, lid 2, Rv gemotiveerd te zijn. De verzoekende partij dient opgave te doen van de feiten of omstandigheden die het vermoeden wettigen dat de rechter bij de behandeling van de zaak niet onpartijdig of onafhankelijk zal zijn.
Ingevolge artikel 4, lid 2, onder c, van het wrakingsprotocol kan de wrakingskamer een verzoek direct niet ontvankelijk verklaren indien het verzoek niet is gemotiveerd.
De wrakingskamer stelt vast dat het wrakingsverzoek zeer summier is. Er worden geen feiten of omstandigheden genoemd waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Verzoekster spreekt alleen over ‘Onduidelijke zaak voor ons, we vermoeden partijdigheid’ maar voert geen enkele grond voor wraking aan. Verzoekster gebruikt het woord ‘wraking’ en laat het daarbij. Het verzoek tot wraking voldoet dan ook niet aan de wettelijke motiveringsvereisten wat voor de wrakingskamer reden is het verzoek wegens kennelijke niet ontvankelijkheid buiten behandeling te laten.
Voor zover het verzoek betrekking heeft op de griffier, merkt de wrakingkamer op, dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor een wrakingsverzoek van de griffier. Daarom is ook dit deel van het verzoek kennelijk niet ontvankelijk.
Op grond van het vorenstaande kan een mondelinge behandeling achterwege blijven.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
  • verklaart het verzoek tot wraking van de rechter niet ontvankelijk;
  • verklaart het verzoek tot wraking van de griffier niet ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.B.T.G. Steeghs, mr. J.J.M. Wassenberg en
mr. V.P. van Deventer, bijgestaan door mr. M.J.W.D. Janssen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2021. [1]
De voorzitter is buiten staat. De beslissing is getekend door mr. J.J.M. Wassenberg.

Voetnoten

1.type: