Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De verdere procedure
- de vrouw, bijgestaan door mr. Van de Marel;
- de man, bijgestaan door mr. Theunissen.
Rechtbank Limburg
De rechtbank Limburg behandelde een zaak over de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden, verknochtheid van een schade-uitkering en de vaststelling van partneralimentatie op basis van inkomen uit vermogen (Box 3). De procedure omvatte meerdere beschikkingen, een deskundigenrapport en een mondelinge behandeling op 11 november 2020.
De rechtbank bevestigde een 80/20 verdeling van het gezamenlijke vermogen, exclusief wat volgens erfrecht of schenking is verkregen, met een peildatum van 16 januari 2018. De vrouw betwistte dat een schade-uitkering aan de man verknocht was en stelde dat een banktegoed van €48.850 een schenking was, wat de man betwistte. De rechtbank oordeelde dat de vrouw onvoldoende bewijs leverde voor schenking of verknochtheid en wees haar standpunt af. De man moet de vrouw €142.194,85 voldoen ter afwikkeling.
Ten aanzien van partneralimentatie stelde de rechtbank vast dat de vrouw geen medische of arbeidskundige onderbouwing leverde voor haar onvermogen tot werken en onvoldoende inspanningen toonde om werk te vinden. De rechtbank rekende met een fictief inkomen op bijstandsniveau en hield rekening met een netto huurinkomen van €854 per maand uit verhuur van een pand. De aanvullende behoefte van de vrouw werd vastgesteld op circa €1.397 per maand. De man moet deze partnerbijdrage met ingang van de beschikking betalen.
De rechtbank wees het verzoek van de man af om de duur van de alimentatie te limiteren, gelet op de duur van het huwelijk en het bestaan van kinderen. De proceskosten worden ieder door eigen partij gedragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en staat open voor hoger beroep binnen drie maanden.
Uitkomst: De man moet €142.194,85 voldoen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en €1.397 per maand partneralimentatie betalen aan de vrouw.