ECLI:NL:RBLIM:2021:4685

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 juni 2021
Publicatiedatum
11 juni 2021
Zaaknummer
8936855 CV EXPL 20-6479
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93c Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring kantonrechter bij vordering onbepaalde waarde in geneeskundige behandelingsovereenkomst

In deze zaak heeft eiseres een procedure gestart tegen twee partijen, waaronder een tandartspraktijk, wegens vermeende toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van een geneeskundige behandelingsovereenkomst. De vordering betreft een onbepaalde waarde. Beide gedaagden hebben een bevoegdheidsincident ingediend en betoogd dat de kantonrechter niet bevoegd is omdat de vordering geen duidelijke aanwijzingen bevat dat deze onder de € 25.000,- blijft.

De kantonrechter overweegt dat vorderingen van onbepaalde waarde slechts door de kantonrechter worden behandeld indien duidelijk is dat de waarde niet hoger is dan € 25.000,- of indien het een aardvordering betreft. Dit laatste is niet aannemelijk gemaakt. Daarom verklaart de kantonrechter zich onbevoegd om van de hoofdzaak kennis te nemen.

De zaak wordt verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de Rechtbank Limburg te Maastricht. Partijen worden erop gewezen dat zij vanaf dat moment alleen nog via een advocaat kunnen procederen en dat een verhoogd griffierecht verschuldigd is. De beslissing over de kosten van het incident wordt aangehouden tot de hoofdzaak is beslist.

Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de civiele kamer van de rechtbank.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: 8936855 CV EXPL 20-6479
Vonnis in incident van de kantonrechter van 9 juni 2021
in de zaak van
[eiseres in hoofdzaak, verweerster in beide incidenten],
wonend te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in beide incidenten,
gemachtigde mr. A. Sarkis,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde in hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
gemachtigde mr. A.K. Sjouw,

2 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidTANDARTSPRAKTIJK MHEER B.V.,gevestigd te Mheer, gemeente Eijsden-Margraten,

gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
gemachtigde mr. E.J.C. de Jong.
Partijen zullen hierna [eiseres in hoofdzaak, verweerster in beide incidenten] , [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] en Tandartspraktijk Mheer genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties A, B en 1 t/m 28,
  • de conclusie van antwoord, tevens houdend een bevoegdheidsincident van
  • de conclusie van antwoord, naar de kantonrechter begrijpt, tevens houdend een
  • incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in beide incidenten.

2.De beoordeling in beide incidenten

2.1.
[eiseres in hoofdzaak, verweerster in beide incidenten] is een procedure gestart (de hoofdzaak) tegen [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] en Tandartspraktijk Mheer omdat zij – kort gezegd – [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] en/of Tandartspraktijk Mheer verwijt toerekenbaar tekort geschoten te zijn in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in beide incidenten] heeft tevens opgemerkt dat het een vordering van onbepaalde waarde betreft.
2.2.
[gedaagde in hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] en Tandartspraktijk Mheer hebben in de hoofdzaak allebei een incident opgeworpen. Zij vorderen ieder afzonderlijk dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart om van de hoofdzaak kennis te nemen. De kantonrechter begrijpt uit hun verweer dat zij van mening zijn dat de kantonrechter niet bevoegd is, nu het een vordering van onbepaalde waarde betreft en dat er ook verder niet is gebleken van een grondslag die kan leiden tot bevoegdheid van de sector kanton.
2.3.
Zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde worden enkel door de kantonrechter behandeld en beslist indien duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter niet het geval. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in beide incidenten] stelt in haar dagvaarding dat de kantonrechter op grond van art. 93 c Rv bevoegd is van de zaak kennis te nemen. De kantonrechter is van oordeel dat onderhavige zaak niet kwalificeert als een ‘aardvordering’, die door de kantonrechter wordt behandeld, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering, dit is ook niet nader door [eiseres in hoofdzaak, verweerster in beide incidenten] gemotiveerd.
2.4.
De kantonrechter zal dan ook de zaak in de staat en stand waarin deze zich bevindt verwijzen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht.
2.5.
Wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure alleen bij advocaat kunnen procederen.
2.6.
De kantonrechter zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

3.De beslissing

De kantonrechter
in beide incidenten
3.1.
verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,
3.2.
houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,
in de hoofdzaak
3.3.
verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt naar de civiele rolzitting van de kamer voor andere zaken dan kantonzaken in de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht van
woensdag 23 juni 2021 om 10.00 uurvoor stellen advocaat,
3.4.
wijst [eiseres in hoofdzaak, verweerster in beide incidenten] erop dat na verwijzing een verhoogd griffierecht verschuldigd is, dat deze verhoging kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat deze verhoging binnen 4 weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie zijn gestort,
3.5.
wijst [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] en Tandartspraktijk Mheer erop dat na verwijzing griffierecht verschuldigd is, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht binnen 4 weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie zijn gestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken. [1]

Voetnoten

1.type: AH