Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2021:4676

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 juni 2021
Publicatiedatum
11 juni 2021
Zaaknummer
03.060334.18
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 SrArt. 67 Vreemdelingenwet 2000Art. 66a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens pleegdatum vóór 2020 bij verblijf ongewenst vreemdeling

De zaak betreft een verdachte die wordt verdacht van het verblijven als vreemdeling in Nederland terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard of een inreisverbod tegen zich had. De tenlastelegging heeft betrekking op een pleegdatum rond 23 december 2017 te Gronsveld.

De zaak werd aanvankelijk geschorst vanwege de juridische complexiteit en de prejudiciële vraag die de Hoge Raad stelde aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verenigbaarheid van artikel 197 Sr Pro met het Unierecht. Na het arrest van het Hof van 17 september 2020 en het daaropvolgende arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020 is duidelijk geworden dat het inreisverbod niet vereist dat een vreemdeling eerst het EU-grondgebied verlaat voordat het strafbaar is om in Nederland te verblijven in strijd met dat verbod.

Het openbaar ministerie heeft op basis van een interne beleidsbrief van 1 februari 2021 verzocht om niet-ontvankelijkheid te vorderen in zaken met een pleegdatum vóór 1 januari 2020. De verdediging sloot zich hierbij aan. De rechtbank volgt dit standpunt en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg te Maastricht op 9 juni 2021, waarbij de verdachte niet aanwezig was maar wel werd vertegenwoordigd door zijn raadsman.

Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens verblijf als ongewenst vreemdeling met pleegdatum vóór 1 januari 2020.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.060334.18
tegenspraak (gemachtigde raadsman)
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juni 2021
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.H.P. Feiner, advocaat kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Onderzoek van de zaak

Op 25 mei 2018 is de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting door de politierechter bevolen en is de zaak, gelet op de juridische complexiteit, verwezen naar de meervoudige kamer. Vervolgens heeft de rechtbank op 5 december 2018 de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting bevolen om het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de gestelde prejudiciële vraag door de Hoge Raad af te wachten. De zaak is op de zitting van 26 mei 2021 inhoudelijk behandeld. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte te Gronsveld als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard of terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd.

3.De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie nietontvankelijk dient te worden verklaard. Hij volgt daarbij het naar aanleiding van het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het daaropvolgende arrest van de Hoge Raad door het openbaar ministerie ingenomen standpunt, inhoudende dat in onderhavige zaken die reeds bij de rechter zijn aangebracht en waarbij de pleegdatum is gelegen op een datum vóór 1 januari 2020, het openbaar ministerie de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zal vorderen.
De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.
De rechtbank overweegt als volgt. Voordien bestond de vraag of het inreisverbod ex artikel 197 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) verenigbaar was met het Unierecht. De Hoge Raad heeft daarop op 27 november 2018 een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Naar aanleiding van het arrest van het Hof (HvJ-EU 17 september 2020, ECLI:EU:C:2020:724, C-806/18 (JZ)) heeft de Hoge Raad op 1 december 2020 arrest gewezen in een zaak waarin het inreisverbod ex artikel 197 Sr Pro aan de orde was (ECLI:NL:HR:2020:1893). In het arrest heeft de Hoge Raad onder andere overwogen dat artikel 197 Sr Pro niet vereist dat een vreemdeling eerst het grondgebied van de Europese Unie verlaat, voordat deze bij verblijf in Nederland in weerwil van het inreisverbod strafbaar is op grond van artikel 197 Sr Pro. Hiermee is een einde gekomen aan onzekerheid over deze kwestie.
Uit de brief van J. van Berkel, plaatsvervangend hoofdofficier Zeeland-West-Brabant, Portefeuillehouder VRIS d.d. 1 februari 2021 blijkt onder meer dat er wordt verzocht om in aangebrachte zaken met een pleegdatum voor 1 januari 2020 de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te vorderen.
Gelet op het verhandelde ter zitting en op het voorgaande zal de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

4.De beslissing

De rechtbank:
-
verklaarthet openbaar ministerie
niet-ontvankelijkin de vervolging.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. R.A.M.M. Gijselaers en mr. A.P.A. Bisscheroux, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 juni 2021.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 23 december 2017 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard of terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;